Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd om de Belastingdienst/Toeslagen te dwingen spoedig een beslissing te nemen op haar bezwaar tegen het primaire besluit van 16 december 2021, waarin haar recht op kinderopvangtoeslag van €30.000 werd ontzegd.
De voorzieningenrechter overweegt dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet het geëigende rechtsmiddel is om een bestuursorgaan tot een beslissing te bewegen. Hiervoor is het rechtsmiddel van beroep tegen niet tijdig beslissen opgenomen in de wet. Verzoekster heeft expliciet aangegeven dit beroep niet te willen instellen.
Ook kan de voorzieningenrechter niet zelf een beslissing nemen op het bezwaar of een oordeel geven over de status van verzoekster als gedupeerde. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter B. Fijnheer en griffier M.L. Bressers op 29 december 2022 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.