ECLI:NL:RBMNE:2022:578
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek tegen arbiters van Scheidsgerecht Gezondheidszorg ongegrond verklaard
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen drie arbiters van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg, omdat deze arbiters voorafgaand aan de mondelinge behandeling stukken opvroegen nadat de termijn voor het indienen van bewijs was verstreken. Verzoekster stelde dat dit een actieve inmenging was in de bewijspositie en daarmee vooringenomenheid opleverde.
De arbiters stelden dat zij onbevangen en naar eer en geweten handelden en dat het opvragen van bewijsstukken een procesbeslissing was die niet vatbaar is voor wraking. De voorzieningenrechter oordeelde dat arbiters op grond van het Arbitragereglement en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ruime bevoegdheden hebben om de procedure en bewijsvoering in te richten, ook tot aan het wijzen van de beslissing.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de arbiters geen partijdigheid toonden door het opvragen van stukken voorafgaand aan de zitting. De termijn in de e-mail van 29 september 2021 was geen harde deadline en het opvragen van bewijsstukken viel binnen de normale taak van het scheidsgerecht. Ook eerdere ervaringen van verzoekster met andere arbiters waren niet relevant voor deze zaak.
Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en werd de procedure voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de arbiters wordt ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.