ECLI:NL:RBMNE:2022:5705

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 december 2022
Publicatiedatum
29 december 2022
Zaaknummer
UTR 22/4787
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 Wegenverkeerswet 1994Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen verplichting medewerking onderzoek rijgeschiktheid

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen om medewerking aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid te verplichten. Dit besluit volgde op een mededeling van de politie over het rijgedrag van eiser op 5 maart 2022.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het geschil zich beperkt tot het vermoeden van ongeschiktheid, niet tot de daadwerkelijke geschiktheid zelf. Het mutatierapport van de politie bevatte gedetailleerde observaties van het rijgedrag, waaronder langzaam optrekken, slingeren buiten de rijbaan en het negeren van een stopteken. Eiser vertoonde trillende benen en gaf aan medicijnen te gebruiken.

De rechtbank oordeelde dat deze feiten samen voldoende aanleiding geven voor het vermoeden dat eiser niet over de noodzakelijke rijgeschiktheid beschikt. Het mutatierapport was voldoende gedetailleerd en consistent, en verweerder had geen reden om het besluit niet op dit rapport te baseren.

Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Eiser is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot verplicht medewerking aan het onderzoek naar rijgeschiktheid is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4787
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.S. Pot),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: M. van Dongen).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder waarin eiser wordt verplicht om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid.
Dit besluit heeft verweerder op 10 mei 2022 (het primaire besluit) genomen. Tegen dat besluit is eiser in bezwaar gegaan. Bij besluit van 2 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 29 december 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
2. Verweerder heeft op 22 maart 2022 van de politie eenheid Midden-Nederland een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ontvangen.
3. Niet (langer) is in geschil dat in deze zaak alleen het vermoeden van ongeschiktheid ter beoordeling staat en niet het vervolg, zoals het advies van de neuroloog. De conclusie of eiser daadwerkelijk (on)geschikt is, staat in deze zaak niet ter beoordeling.
4. De rechtbank deelt niet de mening van eiser dat het mutatierapport dat aan de mededeling ten grondslag ligt te summier en onduidelijk is om de conclusie op te baseren. Hierin staat het volgende. De politie agent reed op 5 maart 2022 achter eiser op de [locatie] in Almere. De verbalisant zag dat eiser erg langzaam optrok van de aanwezige verkeerslichten en zag dat eiser langzaam bleef rijden. Vervolgens slaagde eiser er niet in om binnen de voor hem geldende rijbaan te blijven en slingerde meermaals een meter over de andere rijstrook. De snelheid van de motorvoertuig varieerde tussen de 60 en 80 kilometer per uur. De verbalisant haalde eiser vervolgens in en gaf hem het stopteken. De verbalisant sloeg rechtsaf, maar eiser reed rechtdoor richting een rotonde. Bij de rotonde maakte hij een extra ronde voordat hij de bedoelde afslag nam. De verbalisant volgde eiser en gaf hem nogmaals het stopteken aan de voorzijde. Eiser voldeed daaraan. De verbalisant zag dat eiser trillende benen had, waarna eiser verklaarde dat hij medicijnen gebruikte ter voorkoming van een hartaanval, maar dat dit geen invloed had op zijn rijgedrag. Volgens de verbalisant was er geen aanwijzing dat eiser onder invloed was van alcohol.
5. De rechtbank ziet geen reden om aan de bevindingen te twijfelen. De geobserveerde verkeersgedragingen en verklaringen van eiser, in combinatie met elkaar bezien, rechtvaardigen het vermoeden dat eiser niet beschikte over de benodigde rijgeschiktheid. Het langzaam optrekken bij de verkeerslichten, langzaam blijven rijden daarna, niet binnen de baan blijven en meermalen een meter erbuiten slingeren, boden daarvoor de eerste aanleiding. Volgens het mutatierapport vond de politie het te gevaarlijk om eiser in te halen, bleef daarom achter hem rijden en zag zijn snelheid variëren tussen 60 en 80 kilometer per uur. Vervolgens reageerde eiser niet adequaat op het eerste stopteken. Na geconfronteerd te worden met deze feiten zei eiser dat hij geen bijzondere manier van rijden had. De politie zag dat eiser met trillende benen op de bestuurderstoel zat, waarop eiser vertelde hij verschillende medicijnen gebruikte ter voorkoming van een hartaanval. Dat er ook andere verklaringen zouden kunnen zijn voor het geobserveerde gedrag, zoals louter een beroerde rijstijl of dat eiser wellicht aan het telefoneren was, maakt de conclusie niet anders. Eiser heeft tijdens de controle ook geen opmerkingen gemaakt in die richting en andere aanwijzingen zijn er evenmin.
6. Al met al waren er voldoende aanwijzingen voor het vermoeden dat hij niet beschikte over de (geestelijke) noodzakelijke geschiktheid om een motorvoertuig te besturen. Verweerder heeft hierbij terecht verwezen naar de desbetreffende omstandigheden uit bijlage 1 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011, waarin vergelijkbare gedragingen op de weg zijn opgenomen (slingerend rijden, afwijken van de juiste koers, wegrijden, niet aan de overige deelnemers aangepast snelheid rijden).
7. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat het mutatierapport van de politie voldoende gedetailleerde informatie bevat en consistent is. Er was voor verweerder dan ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen voordat hij zich op het rapport kon baseren. Van onzorgvuldige voorbereiding van het besluit is geen sprake.
8. De beroepsgronden slagen niet. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
9. Eiser is ter zitting gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep, zoals hieronder weergegeven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. Z.E.M. van der Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal van uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.