ECLI:NL:RBMNE:2022:5303

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 september 2022
Publicatiedatum
13 december 2022
Zaaknummer
UTR 22/1671
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens tegemoetkoming NOW

Verzoekster diende bezwaar in tegen een besluit van het UWV over de definitieve tegemoetkoming voor de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging werkgelegenheid (NOW). Na bezwaar stelde het UWV het bedrag vast op €11.406,-. Verzoekster ging in beroep bij de rechtbank, waarna het UWV het besluit wijzigde en het bedrag verhoogde naar €12.482,-. Hierop trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat verzoekster recht heeft op proceskostenvergoeding omdat het beroep was ingetrokken nadat het bestuursorgaan aan haar tegemoet was gekomen, conform artikelen 8:75 en 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verzoekster vroeg een vergoeding van €726,- voor rechtsbijstand, wat lager is dan het forfaitaire tarief. De rechtbank wees dit bedrag toe en veroordeelde het UWV tevens tot betaling van het griffierecht.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie had om het verzoek te beoordelen. De beslissing werd op 20 september 2022 openbaar uitgesproken door rechter R.C. Moed.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €726,- aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1671

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [vestigingsplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: drs. R. van Stee RA),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar ingediend tegen verweerders besluit van 9 december 2021. Verweerder heeft op 1 maart 2022 een besluit op dit bezwaar genomen en beslist dat het bezwaar gegrond is. Verweerder heeft beslist dat verzoekster recht heeft op een definitieve tegemoetkoming van € 11.406,- voor de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging werkgelegenheid (NOW). Verzoekster is hiertegen bij de rechtbank in beroep gegaan.
Op 28 juli 2022 heeft verweerder een nieuw besluit genomen waarin hij het besluit van
1 maart 2022 heeft gewijzigd. Verweerder heeft de definitieve tegemoetkoming voor de NOW waar verzoekster recht op heeft vastgesteld op € 12.482,-. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. Verweerder heeft op 1 september 2022 gereageerd op dit verzoek. In zijn reactie heeft verweerder meegedeeld dat hij er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep en is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. De rechtbank stelt vast dat verzoekster haar beroep heeft ingetrokken nadat verweerder haar tegemoet is gekomen en de definitieve tegemoetkoming voor de NOW heeft vastgesteld op € 12.482,-. Eiseres komt dus in aanmerking voor een proceskostenvergoeding. Zij verzoekt om een vergoeding van € 726,- voor kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit is minder dan het forfaitaire tarief uit het Bpb. De rechtbank wijst dit bedrag aan proceskosten toe.
4. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:41 van Pro de Awb).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 726,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
20 september 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.