ECLI:NL:RBMNE:2022:5246
Rechtbank Midden-Nederland
- Verschoning
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verschoning rechter wegens mogelijke schijn van partijdigheid gegrond verklaard
In deze zaak heeft de verzoeker op 12 juli 2022 een verzoek tot verschoning ingediend in een civiele hoofdzaak betreffende een beroepschrift tegen de goedkeuring van een schikking in faillissementen van twee vennootschappen. De verzoeker was van circa 2011 tot 2019 samen met een curator in de Raad van Discipline actief geweest en vreesde dat deze nauwe samenwerking, in combinatie met mogelijke privé-aansprakelijkheid van de curator, de schijn van partijdigheid zou kunnen wekken.
De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 40 en Pro 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij werd overwogen dat een rechter geacht wordt onpartijdig te zijn tenzij uitzonderlijke omstandigheden de objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid rechtvaardigen. Hierbij is ook de uiterlijke schijn van partijdigheid van belang om het vertrouwen in het rechterlijk apparaat te waarborgen.
Gezien de langdurige samenwerking van acht jaar tussen verzoeker en curator en de mogelijke verstrekkende privé-gevolgen van de hoofdzaak voor de curator, achtte de verschoningskamer de schijn van partijdigheid voldoende aannemelijk. Daarom werd het verzoek tot verschoning gegrond verklaard. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter wordt gegrond verklaard vanwege de schijn van partijdigheid.