ECLI:NL:RBMNE:2022:516

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 februari 2022
Publicatiedatum
14 februari 2022
Zaaknummer
UTR 21/4124
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WobArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op Wob-verzoek door gemeente Utrecht

Eiser heeft op 7 mei 2021 een verzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob). Verweerder had uiterlijk op 2 juli 2021 moeten beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser heeft verweerder op 22 september 2021 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken verstreken zonder dat een besluit is genomen.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt opgedragen binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Hoewel verweerder een termijn van 15 weken had verzocht vanwege de omvang van het verzoek, acht de rechtbank acht weken voldoende.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat verweerder de nieuwe termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Verweerder moet ook het griffierecht aan eiser vergoeden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door rechter B. Fijnheer en griffier J. Fagel op 23 februari 2022 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een nieuwe beslistermijn van acht weken en een dwangsom op aan verweerder.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4124

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob).

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft zijn verzoek ingediend op 7 mei 2021. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 6, eerste lid, van de Wob. Verweerder heeft de termijn verlengd met vier weken.
4. Verweerder had dus uiterlijk op 2 juli 2021 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 22 september 2021 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
5. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
6. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om hem een termijn van 15 weken te geven om een besluit te nemen op het verzoek van eiser. Verweerder geeft aan deze tijd nodig te hebben, omdat het een zeer omvangrijk verzoek betreft.
7. De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden aanleiding om aan verweerder een langere beslistermijn dan twee weken op te leggen. Om zowel recht te doen aan het belang van eiser bij een duidelijke beslistermijn, als het belang van verweerder om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen, zal de rechtbank een uiterlijke beslistermijn opleggen van acht weken. Deze termijn moet voldoende zijn, gelet op de in het verweerschrift (ingediend op 25 november 2021) verzochte termijn van 15 weken.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
9. Het beroep is kennelijk gegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
11. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet betalen;
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer rechter, in aanwezigheid van
J. Fagel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 23 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.