ECLI:NL:RBMNE:2022:5142
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betaling openstaand en niet genoten vakantieverlofsaldo na einde dienstverband
Werknemer trad in februari 2019 in dienst bij werkgever en beëindigde haar arbeidsovereenkomst per 1 november 2021. Na beëindiging stelde zij dat er een openstaand saldo aan niet genoten vakantiedagen was dat door werkgever moest worden uitbetaald. Werknemer vorderde betaling van vakantiegeld, wettelijke verhoging, incassokosten en proceskosten, alsmede verstrekking van een correcte eindafrekening.
De werkgever betwistte de hoogte van het vakantiesaldo en voerde aan dat ziektedagen als wachtdagen in mindering mochten worden gebracht op het bovenwettelijke vakantiesaldo. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer de stelplicht en bewijslast heeft voor het saldo, maar dat werkgever haar betwisting voldoende moest motiveren met administratieve gegevens. De urenlijsten en verklaringen van collega’s werden als bewijs gehanteerd.
De kantonrechter stelde vast dat de werknemer in 2019, 2020 en 2021 vakantie had genoten, met enkele snipperdagen bevestigd door aanvraagformulieren. Ziekte-uren werden als wachtdagen op het bovenwettelijke saldo verrekend, waardoor dat saldo kwam te vervallen. Uiteindelijk resteerde een vakantiesaldo van 97,5 uur, dat tegen het laatstverdiende loon moest worden uitbetaald. De wettelijke verhoging van 25% en incassokosten werden toegewezen. Proceskosten werden gecompenseerd zodat elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van €1.191,13 plus wettelijke verhoging en rente voor niet genoten vakantiedagen en incassokosten.