Uitspraak
1.De procedure
- het wrakingsverzoek van verzoeker van 21 november 2022;
- de reactie van de rechter-commissaris van 21 november 2022.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris die op 18 november 2022 de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling had getoetst. Verzoeker stelde dat de rechter-commissaris zich uitsluitend had gebaseerd op TCI-informatie, wat volgens hem onvoldoende was en leidde tot een schijn van partijdigheid.
De wrakingskamer behandelde het verzoek op 25 november 2022 met gesloten deuren en concludeerde dat het wrakingsverzoek ontvankelijk was, omdat de beslissing over de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling geen eindbeslissing betrof en de rechter-commissaris nog steeds betrokken bleef bij de zaak.
De wrakingskamer oordeelde dat wraking niet kan worden gebruikt als verkapt rechtsmiddel tegen inhoudelijke beslissingen en dat er geen objectief gerechtvaardigd vermoeden van vooringenomenheid was. De motivering van de rechter-commissaris werd als voldoende onafhankelijk beschouwd, ondanks dat verzoeker twijfels had over de juistheid van de beslissing.
De wrakingskamer verklaarde het verzoek ongegrond en bepaalde dat de procedure met parketnummer 16-299615-22 voortgezet wordt in de stand waarin deze zich bevond bij de schorsing wegens het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.