ECLI:NL:RBMNE:2022:480

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2022
Publicatiedatum
11 februari 2022
Zaaknummer
UTR 21/2311 T2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51a Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging termijn herstel gebreken bestuursbesluit gemeente Utrecht

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 4 februari 2022 een tussenuitspraak gedaan waarin de termijn voor het herstel van gebreken in het bestreden besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht is verlengd met twee weken.

De oorspronkelijke termijn was gesteld in een eerdere tussenuitspraak van 9 december 2021, waarin verweerder werd verzocht binnen zes weken de gebreken te herstellen. Verweerder heeft binnen deze termijn verzocht om verlenging, met als reden dat de gestelde termijn te kort bleek.

Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze verlenging. De rechtbank acht dit een bijzonder geval dat verlenging rechtvaardigt, mede omdat een andere beslissing, zoals het opleggen van een nieuw besluit, waarschijnlijk tot een minder finale geschilbeslechting zou leiden.

De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak in deze zaak. Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open; hoger beroep kan gelijktijdig met de einduitspraak worden ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de termijn voor het herstel van gebreken met twee weken en houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2311 T2

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W. Kort),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Arabaci).

Procesverloop

In de tussenuitspraak van 9 december 2021 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Voor het verdere procesverloop verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak.
Bij brief van 28 januari 2022 heeft verweerder de rechtbank verzocht de in de tussenuitspraak gestelde termijn te verlengen.
Eiser heeft schriftelijk gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

Verweerder heeft zijn verzoek om verlenging van de termijn om de gebreken te herstellen gedaan binnen de oorspronkelijke termijn die de rechtbank hiervoor heeft gesteld in de tussenuitspraak.
Slechts in bijzondere gevallen willigt de rechtbank zo’n verzoek om verlenging van de in de tussenuitspraak gestelde termijn in. Het verzoek om verlenging moet daarom zijn gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2010 [1] en 21 september 2011. [2]
De reden waarom verweerder de rechtbank verzoekt om verlenging van de termijn is dat de gestelde termijn te kort is gebleken. Eiser stelt zich hierover op het standpunt dat tegen verlenging van de termijn geen bezwaar bestaat.
De rechtbank acht, mede gelet op de instemmende reactie van eiser, dit een bijzonder geval dat verlenging van de termijn rechtvaardigt, omdat de oorspronkelijk bepaalde termijn te kort is gebleken en elke andere beslissing van de rechtbank - met name de einduitspraak waarbij verweerder de opdracht krijgt een nieuw besluit te nemen - naar alle waarschijnlijkheid tot een minder finale vorm van geschilbeslechting leidt.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.

Beslissing

De rechtbank:
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen twee weken na verzending van deze tweede tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de eerste tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 4 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.