ECLI:NL:RBMNE:2022:4596
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing Nederlandse socialezekerheidswetgeving op internationaal vrachtwagenchauffeur met Cypriotisch contract
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de vraag of een vrachtwagenchauffeur met een arbeidscontract bij een Cypriotisch bedrijf onder het Cypriotische socialezekerheidsrecht viel, of dat de Nederlandse wetgeving van toepassing was. De rechtbank bouwt voort op een eerdere tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat het Cypriotische bedrijf de feitelijk werkgever was.
Na een tussenuitspraak heeft de verweerder het bestreden besluit van 13 december 2021 aangepast en aanvullende gegevens opgevraagd, waaronder salarisspecificaties en de overeenkomst tussen het Cypriotische bedrijf en de Nederlandse vervoersonderneming. De eiser weigerde deze overeenkomst te verstrekken, ondanks dat hij bestuurder is van de Nederlandse vervoersonderneming.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht om deze gegevens heeft gevraagd en dat het niet verstrekken van het fleetmanagementcontract voor rekening en risico van eiser komt. De aanvullende motivering van verweerder is voldoende om het standpunt te handhaven dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is vanaf 1 januari 2014.
Het beroep wordt gegrond verklaard omdat het oorspronkelijke besluit onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd was, waarna het besluit wordt vernietigd. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter ongewijzigd, waardoor de Nederlandse wetgeving van toepassing blijft. Verweerder moet het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden.
Uitkomst: De Nederlandse socialezekerheidswetgeving is van toepassing op eiser vanaf 1 januari 2014; het bestreden besluit wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand.