ECLI:NL:RBMNE:2022:4069

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 september 2022
Publicatiedatum
7 oktober 2022
Zaaknummer
UTR 22/2359
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verkorting betaaltermijn dwangsom door Belastingdienst

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de betaaltermijn van zes maanden die de Belastingdienst heeft gesteld voor de uitbetaling van een dwangsom wegens te laat beslissen. Zij wenste een verkorting van deze termijn naar zes weken. De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld en geconstateerd dat de Belastingdienst de termijn heeft verlengd op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vanwege de omvangrijke hoeveelheid dossiers en beperkte mankracht.

Hoewel de voorzieningenrechter erkent dat een langere betaaltermijn ongewenst is, acht hij de verlenging onder deze omstandigheden aanvaardbaar, mede omdat de wettelijke rente wordt vergoed als compensatie voor de vertraging. Verzoeksters stelling dat haar financiële situatie slecht is, is onvoldoende onderbouwd, waardoor haar spoedeisend belang niet zwaarder weegt dan het belang van de Belastingdienst.

Daarom wordt het verzoek tot verkorting van de betaaltermijn afgewezen. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.J. Catsburg en griffier A.M. Slierendrecht op 6 september 2022.

Uitkomst: Het verzoek tot verkorting van de betaaltermijn van de dwangsom wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/2359

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: M.C. Neslo),
en

Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht (verweerder)

(gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Inleiding

In het besluit van 4 april 2022 heeft verweerder verzoekster een dwangsom toegekend van
€ 1.442,- wegens te laat beslissen. Verzoekster is het wel eens met de dwangsom die verweerder heeft vastgesteld. Zij is het niet eens met de termijn waarbinnen verweerder deze dwangsom uitbetaalt. In het besluit van 4 april 2022 deelt verweerder mee dat de hij de dwangsom binnen zes maanden uitbetaalt. Verzoekster wil dat verweerder de dwangsom binnen zes weken uitbetaalt.
Verzoekster heeft op 26 april 2022 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 april 2022. Daarnaast heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 augustus 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder. Verzoekster was niet aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van het door haar te betalen griffierecht. Gelet op het door verzoekster ingevulde en ondertekende formulier ziet de voorzieningenrechter aanleiding om dit verzoek in deze zaak toe te wijzen.
2. De voorzieningenrechter neemt in dit individuele geval aan dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij haar verzoek.
3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. Verweerder heeft in het besluit de betalingstermijn van zes weken verlengd tot maximaal 26 weken op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5. Het besluit bevat geen motivering voor de verlenging van de betaaltermijn, maar in het verweerschrift heeft verweerder uiteengezet dat deze termijn noodzakelijk is voor het nakomen van de betalingsverplichting. Daarbij is gewezen op het omvangrijke aantal dossiers en ingebrekestellingen dat de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen in het kader van de Toeslagenaffaire in behandeling neemt. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat er onvoldoende mankracht is om alle betalingen die de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen moet doen, binnen de betaaltermijn van zes te weken te verrichten. Verweerder heeft in het verweerschrift opgemerkt dat de wettelijke rente vergoed wordt en dat die tegelijkertijd met de verschuldigde dwangsom zal worden betaald.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Hoewel het zeer ongewenst is dat verweerder een betaaltermijn van meer dan zes weken nodig heeft om een betaling aan verzoekster te doen, is het aannemelijk dat de organisatorische situatie bij verweerder eraan in de weg staat om de betaling binnen die termijn te doen. Verweerder kent daarom terecht de wettelijke rente toe. Die wettelijke rente vormt de compensatie voor het niet eerder kunnen beschikken over het bedrag. Het verlengen van de betalingstermijn in het besluit van 4 april 2022 is onder die omstandigheden aanvaardbaar.
7. Verzoekster heeft gesteld dat haar financiële situatie slecht is, maar zij heeft dat niet onderbouwd. Haar gemachtigde, de ex-partner van verzoekster, heeft wel aangetoond dat hij bedragen aan haar overmaakt. Daaruit kan echter niet worden afgeleid wat de financiële situatie van verzoekster is. In dat verband merkt de voorzieningenrechter op dat deze beoordeling van andere aard is dat de beoordeling van de financiële situatie van verzoekster bij haar verzoek om vrijstelling van het griffierecht. Omdat verzoekster haar financiële situatie niet heeft onderbouwd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het belang van verzoekster bij een snelle betaling zwaarder te laten wegen dan het belang van verweerder bij de verlengde betaaltermijn.
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.