Verdachte werd beschuldigd van verkrachting, seksueel binnendringen, aanranding en ontucht met een bewusteloze of onmachtige vrouw op 5 januari 2019 te Soest. De rechtbank heeft het dossier en de zittingen van 13 april en 21 september 2022 bestudeerd, waarbij de verklaringen van aangeefster, haar partner en een onafhankelijke getuige zijn betrokken.
Hoewel de rechtbank erkent dat zich in de nacht van 5 op 6 januari 2019 een incident heeft voorgedaan, zijn er onvoldoende objectieve bewijzen om met zekerheid vast te stellen wat er precies is gebeurd. De verklaringen van aangeefster en haar partner wijken op belangrijke punten van elkaar af, en een onafhankelijke getuige verklaarde dat aangeefster haar partner niet thuis had toen verdachte bij haar in de slaapkamer was, wat de geloofwaardigheid van de aangifte ondermijnt.
Forensisch onderzoek heeft niet plaatsgevonden omdat de aangifte pas drie maanden na het incident werd gedaan. De rechtbank concludeert dat het bewijs niet voldoet aan het wettelijk vereiste bewijsminimum en spreekt verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot immateriële schadevergoeding van €7.500,- en veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt, welke tot op heden nihil zijn.