Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
- te verklaren voor recht dat de buitengerechtelijke en de gerechtelijke verklaring van [gedaagde] niet voldoen aan de eisen van artikel 476a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 476b lid 2 Rv;
- [gedaagde] op grond van artikel 477a lid 1 Rv te veroordelen tot betaling van al hetgeen [C] uit hoofde van het onder 2.4 vermelde vonnis aan [eiseres] moet betalen en waarvoor beslag is gelegd;
- [gedaagde] op grond van artikel 477a lid 2 Rv te veroordelen een schriftelijke en door haar ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen met inachtneming van hetgeen [eiseres] in de dagvaarding heeft gesteld, van hetgeen [gedaagde] van [C] onder zich heeft en/of verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [C] zal verkrijgen en/of aan [C] verschuldigd zal worden;
- [gedaagde] op grond van artikel 477a lid 2 Rv te veroordelen om, nadat die verklaring door haar zal zijn afgelegd en/of door de kantonrechter zal zijn bepaald wat [gedaagde] onder zich heeft en/of zal verkrijgen en/of verschuldigd is en/of zal worden aan [C] , tot het ter tenuitvoerlegging af- en overdragen van zodanige gelden en/of goederen, een en ander voor zover deze gelden en/of goederen niet het totale bedrag dat [eiseres] ingevolge het onder 2.4 vermelde vonnis van [C] te vorderen heeft overtreft;