De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van bijstandsfraude in de periode van maart 2015 tot mei 2021. Verdachte en een medeverdachte ontvingen een bijstandsuitkering terwijl zij inkomsten genoten uit online handel in kleding, schoenen en andere goederen, welke inkomsten zij niet aan de gemeente hebben gemeld. Daarnaast werd een auto op naam van verdachte niet opgegeven.
De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk de benodigde gegevens niet tijdig heeft verstrekt, waardoor zij zichzelf en haar medeverdachte heeft bevoordeeld. Verdachte was op de hoogte van de handel en heeft er ook zelf aan deelgenomen via meerdere accounts. Medeplegen werd bewezen omdat beide betrokkenen gezamenlijk de uitkering hadden aangevraagd en verplicht waren alle gegevens te verstrekken.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de duur van de fraude, het benadelingsbedrag van ruim €86.000,- en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Gezien het initiatief vooral bij de medeverdachte lag, werd afgeweken van de richtlijnen en volstond een taakstraf van 160 uur, te vervangen door 80 dagen hechtenis bij niet-nakoming.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer op 30 september 2022 en is gebaseerd op artikelen uit het Wetboek van Strafrecht en de Participatiewet. Verdachte werd strafbaar verklaard en veroordeeld tot de opgelegde taakstraf.