De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 15 juli 2022 de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel die eerder aan de veroordeelde was opgelegd. De maatregel was voorzien van een proeftijd van twee jaar met diverse bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling en toezicht.
Tijdens het onderzoek bleek dat de veroordeelde zich niet aan alle bijzondere voorwaarden had gehouden, met name door het niet meewerken aan ambulante behandeling en het zich onttrekken aan toezicht. Diverse rapportages van De Waag, Samen Veilig Midden-Nederland en de Raad voor de Kinderbescherming gaven aan dat de ambulante behandeling was beëindigd en dat er geen haalbare alternatieven waren voor een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.
De verdediging pleitte voor een doorstart van ambulante behandeling of klinische opname, maar de deskundigen en de rechtbank oordeelden dat de problematiek van de veroordeelde hardnekkig is en dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk is. De rechtbank achtte de maatregel proportioneel en in het belang van zowel de veroordeelde als de veiligheid van de maatschappij.
De rechtbank besloot daarom de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel toe te wijzen en gelastte dat deze maatregel alsnog zal worden uitgevoerd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, bestaande uit drie kinderrechters, onder voorzitterschap van H.A. Gerritse.