Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 85, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en
- 5a, 7, 8, 176, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994;
11.BESLISSING
een gevangenisstraf van 180 dagen;
102 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- wijst de vordering van [politieagent] ter zake van immateriële schade toe tot een bedrag van € 1.400,00;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [politieagent] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2021 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [politieagent] aan de Staat € 1.400,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 24 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.