Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2022 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
Procesverloop
Overwegingen
Arbeidskundige beoordeling
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser ontving vanaf 16 april 2019 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling op verzoek van zijn werkgever stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) vast dat eiser vanaf 1 september 2019 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor zijn uitkering per 16 april 2021 zou worden beëindigd.
Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat zijn beperkingen groter waren dan vastgesteld, onder meer vanwege pijnklachten en slaapproblemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzochten dit en concludeerden dat de beperkingen gelijk bleven zoals eerder vastgesteld en dat de geduide functies passend waren.
De rechtbank oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig en begrijpelijk waren en dat eiser onvoldoende medische onderbouwing had geleverd om de beoordeling te weerleggen. Ook werd een urenbeperking vanwege pijnklachten en slaapproblemen niet aangenomen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt dat het UWV besluiten over arbeidsongeschiktheid mag baseren op goed gemotiveerde medische rapporten en dat subjectieve klachten zonder medische onderbouwing onvoldoende zijn om een hogere mate van arbeidsongeschiktheid aan te nemen.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.