Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:3647

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 juli 2022
Publicatiedatum
13 september 2022
Zaaknummer
UTR_22_1444 rectificatie
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep in Ziektewet-uitkeringszaak

Verzoekster kreeg op 25 mei 2021 te horen dat haar Ziektewet-uitkering werd stopgezet omdat zij meer dan 65% van haar maatmanloon kon verdienen. Na bezwaar verklaarde verweerder het bezwaar gegrond en beëindigde de uitkering per 18 februari 2022. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit. Vervolgens trok verweerder het bestreden besluit in en herstelde het recht op uitkering vanwege meer dan 35% arbeidsongeschiktheid. Hierop trok verzoekster het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank behandelde het verzoek om proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:54 Awb Pro zonder zitting. Verweerder stemde in met een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelde de proceskosten vast op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, inclusief kosten voor rechtsbijstand en deskundigenrapportage. De deskundige had 12,5 uur gewerkt tegen een tarief van €136,19 per uur.

De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster, inclusief griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter S.G.M. van Veen op 14 juli 2022 en is openbaar. Verzoekster kan binnen zes weken verzetschrift indienen als zij het niet eens is met de uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van de proceskosten van verzoekster ter hoogte van €3.543,38.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 22/1444 rectificatie op bladzijde 2 en 3

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. Y.M. Hagting),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 25 mei 2021 (primair besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf 26 juni 2021 geen uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) meer krijgt omdat zij meer dan 65% kan verdienen van haar maatmanloon.
In het besluit van 8 februari 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en beslist dat de ZW-uitkering van eiseres per 18 februari 2022 wordt beëindigd.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 10 juni 2022 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en in plaats daarvan besloten dat eiseres per 18 februari 2022 onveranderd recht heeft op een
ZW-uitkering omdat zij meer dan 35% arbeidsongeschikt is.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld akkoord te gaan met een proceskostenveroordeling.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Kosten voor rechtsbijstand
3. Verzoekster verzoekt om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met het onderhavige beroep.

4. Bij het nieuwe besluit heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.

5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.841,-€ 759,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 541,-, 1 punt voor het deelnemen aan de telefonische hoorzitting met een waarde per punt van € 541,- en1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
Kosten voor deskundige
6. Verzoeker dient een specificatie in van medisch adviesbureau 1MA voor een bedrag van € 2.669,93. Het dossier bevat een verzekeringsgeneeskundig expertiserapport van
5 mei 2022, opgemaakt door verzekeringsarts [A] . Volgens genoemde specificatie heeft deze verzekeringsarts in totaal 725 minuten (12 uur en 5 minuten) aan het expertiseonderzoek besteed.
7. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten van de deskundige van 1MA vast aan de hand van artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Bpb, gelezen in verband met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, en met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in strafzaken 2003.
8. Op grond van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt voor de vaststelling van de uurvergoeding een gedeelte van een uur gelijk aan een half uur of korter, als een half uur, en een gedeelte langer dan een half uur als een heel uur. Gelet hierop, rondt de rechtbank de gestelde tijdsbesteding van de deskundige af op 12,5 uur.
9. De rechtbank zal een bedrag toekennen aan de hand van het ten hoogste geldende tarief van € 136,19 per uur op basis van een urenbesteding van 12,5 uur. Dit komt neer op een bedrag van € 1.702,38 (12,5 x € 136,19).
Conclusie
10. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 3.543,38€ 2.461,38(
€ 1.841,-€ 759,-+ € 1.702,38).
Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 3.543,38€ 2.461,38.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.