Op 14 augustus 2021 vond een incident plaats waarbij aangever ernstig letsel opliep aan zijn schouder en andere delen van het lichaam. Verdachte werd ervan beschuldigd openlijk geweld te hebben gepleegd in vereniging, wat lichamelijk letsel tot gevolg had. De zaak werd behandeld door de rechtbank Midden-Nederland, waarbij meerdere zittingen plaatsvonden in 2021 en 2022.
De officier van justitie stelde dat het scenario van de aangever en zijn vriendin meer steun vond in het dossier dan het alternatieve scenario van verdachte en zijn medeverdachten. De verdediging pleitte vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat hoewel het geweld en letsel vaststonden, onvoldoende overtuigend bewijs bestond om verdachte schuldig te verklaren. De verklaringen van aangever en zijn vriendin stonden haaks op die van verdachte en medeverdachten, en de medische gegevens ondersteunden geen zwaar letsel zoals beschreven.
De belastende verklaring van een getuige werd niet bruikbaar geacht omdat deze later werd ingetrokken. Het alternatieve scenario van een valpartij na een trap kon niet worden uitgesloten. Hierdoor was er geen betrouwbaar steunbewijs voor een van beide scenario's. Verdachte werd vrijgesproken. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding en veroordeeld in de kosten.