ECLI:NL:RBMNE:2022:3505

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 augustus 2022
Publicatiedatum
31 augustus 2022
Zaaknummer
16/088759-21 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 3 onder B OpiumwetArt. 6:4:4 SvArt. 6:4:5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na medeplichtigheid hennepkwekerij

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 31 augustus 2022 de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die medeplichtig was aan handelen in strijd met de Opiumwet.

De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €49.611,68, gebaseerd op opbrengsten van een hennepkwekerij, maar de verdediging stelde dat veroordeelde slechts €150 had ontvangen voor schoonmaakdiensten. De rechtbank nam de verklaring van veroordeelde als uitgangspunt en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €150.

Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee jaar, werd de betalingsverplichting verminderd met 20%, waardoor veroordeelde €120 aan de staat moet betalen. Tevens werd een maximale gijzeling van twee dagen bepaald voor het geval van niet-betaling.

Uitkomst: Veroordeelde moet €120 betalen aan de staat wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel na korting wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/088759-21 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 augustus 2022 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [1970] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 augustus 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr A. Drogt en van hetgeen veroordeelde en mr. C.D.W. Herrings, advocaat te Rijen, naar voren hebben gebracht.

2.VORDERING

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft in eerste instantie gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel. De officier van justitie heeft haar vordering ter terechtzitting ten aanzien van het totaal door veroordeelde genoten voordeel gewijzigd en geschat op € 49.611,68.
Ten aanzien van de opbrengst verkregen uit de hennepkwekerij aan de [adres] te [plaats] is de officier van justitie ervan uitgegaan dat het oorspronkelijke bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 106.223,35 aan de hand van een pondspondsgewijze verdeling dient te worden verdeeld tussen veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] , zodat veroordeelde de helft hiervan ter hoogte van € 53.111,68 zou hebben ontvangen.
De officier van justitie is ten aanzien van medeveroordeelde [medeveroordeelde 2] ervan uitgegaan dat zij een bedrag ter hoogte van € 7.000,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel zou hebben ontvangen. Ook dit bedrag dient volgens de officier van justitie pondspondsgewijs tussen veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] te worden verdeeld. Daarom dient de helft hiervan in mindering te worden gebracht bij het bedrag van € 53.111,68. Op grond hiervan heeft de officier van justitie berekend dat veroordeelde een bedrag van € 49.611,68 zou hebben ontvangen (€ 53.111,68 - € 3.500,-).
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet meer dan
€ 150,- bedraagt, nu dit het bedrag is dat veroordeelde heeft ontvangen voor zijn schoonmaakdiensten op de [adres] te [plaats] . Tot slot heeft de raadsvrouw, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, verzocht om de betalingsverplichting op nihil te stellen.

3.BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1
De grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van 31 augustus 2022 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het volgende strafbare feit:
- medeplichtigheid aan handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod (in de periode van 14 augustus 2017 tot en met 16 oktober 2017).
De grondslag voor de ontnemingsvordering is in de eerste plaats de veroordeling ter zake van voormeld feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan.
De officier van justitie is er bij haar vordering daarnaast van uitgegaan dat de veroordeelde ook voordeel heeft verkregen uit andere strafbare feiten, als bedoeld in lid 2 van artikel 36e Sr. In het ontnemingsrapport wordt ervan uitgegaan dat veroordeelde ook voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode voordeel heeft gehad uit (oogsten van) de hennepkwekerij aan de [adres] te [plaats] .
3.2
Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit het
proces-verbaal van verhoor verdachtevan 25 oktober 2017 blijkt dat veroordeelde onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard:
[.] : Ik was ingehuurd om de bovenverdieping schoon te maken.
V: Wat zou je voor de schoonmaak klus ontvangen?
[.] : € 150,- contant. [1]
De rechtbank neemt als uitgangspunt voormelde verklaring van veroordeelde, nu de rechtbank onvoldoende aanwijzingen heeft dat de veroordeelde op andere wijze heeft gedeeld in de opbrengst van de hennepkwekerij. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat medeveroordeelden [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 1] geen inzicht hebben geboden in de verdiensten van de veroordeelde, terwijl die verdiensten ook overigens (behoudens de verklaring van de veroordeelde zelf) niet blijken uit het dossier.
Op grond hiervan gaat de rechtbank ervan uit dat veroordeelde enkel een bedrag van € 150,- heeft ontvangen ter vergoeding van zijn schoonmaakdiensten. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het totale bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 150,-.
3.4
Betalingsverplichting
Schending redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat evenals in de strafzaak ook in de onderhavige ontnemingszaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De hennepkwekerij is op 24 oktober 2017 ontmanteld en veroordeelde is hierover op dezelfde dag door de politie verhoord. Op dat moment kon veroordeelde in redelijkheid verwachten dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Het vonnis wordt op 31 augustus 2022 gewezen. Daarmee is de redelijke termijn met ruim twee jaar overschreden. Uit vaste jurisprudentie volgt dat in de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden de Hoge Raad naar bevind van zaken handelt. [2] In de gevallen waar de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden is overschreden, hanteert de Hoge Raad als uitgangspunt 10% korting op het ontnemingsbedrag. De rechtbank is hier van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak zodanig veel hoger is dan de overschrijding die in de reductie van 10% als uitgangspunt wordt genomen, dat een vermindering van 20% in dit specifieke geval op zijn plaats is. De rechtbank zal de betalingsverplichting gelet op de uitzonderlijke lange duur van de overschrijding in dit geval verminderen met € 30,- (20% van € 150,-).
De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op
€ 120,-(zegge: honderdtwintig euro) en zal derhalve aan veroordeelde de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat opleggen. De rechtbank zal verder bepalen dat het Openbaar Ministerie maximaal
2 (twee) dagengijzeling kan vorderen jegens veroordeelde indien volledig verhaal van dit bedrag overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 van het Wetboek van Strafvordering niet mogelijk blijkt.

4.TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.BESLISSING

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 150,-;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
€ 120,-aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
2 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.S. Terporten-Hop, voorzitter, mrs. I.L. Gerrits en M. Rasterhoff, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R.V. Joerawan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2022.
Mrs. Gerrits en Rasterhoff zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , werkzaam bij de politie eenheid Midden-Nederland, genummerd PL0900-2017324136-20 en gesloten op 24 oktober 2017 (p. 54).
2.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,