ECLI:NL:RBMNE:2022:3422
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van woning in Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak is in geschil de WOZ-waarde van een woning gelegen aan een adres in Utrecht, vastgesteld op €314.000 per 1 januari 2020. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €291.000 voor. Verweerder, de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap, handhaaft de vastgestelde waarde.
Eiser voert aan dat verweerder niet de benodigde onderliggende stukken heeft verstrekt waaruit blijkt hoe correcties tussen de woning en referentiewoningen zijn toegepast, een beroep op art. 40 Wet Pro WOZ. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet verplicht is om stukken te produceren die niet bestaan, maar beoordeelt wel of er sprake is van een motiveringsgebrek.
Verweerder heeft een taxatiematrix overgelegd met vergelijkbare woningen uit dezelfde straat, waarbij rekening is gehouden met verschillen in kenmerken en waardering op KOUDV-factoren. De rechtbank acht dit voldoende om de vastgestelde waarde te onderbouwen en wijst de bezwaren van eiser af. Eiser heeft enkele beroepsgronden ingetrokken en andere zijn door de rechtbank gemotiveerd verworpen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is mondeling gedaan op 1 juni 2022 door rechter J. Wolbrink in Utrecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €314.000 wordt ongegrond verklaard.