ECLI:NL:RBMNE:2022:336

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 februari 2022
Publicatiedatum
2 februari 2022
Zaaknummer
UTR 21/1776-V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen dwangsom wegens niet tijdig beslissing op bezwaar ongegrond verklaard

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dronten, omdat het college niet binnen de wettelijke termijn een beslissing op haar bezwaar had genomen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 16 september 2021 het beroep gegrond verklaard en een dwangsom vastgesteld op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb.

Het college is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Het verzet richt zich op de stelling dat geen dwangsom verschuldigd zou zijn omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank oordeelt dat ten tijde van de oorspronkelijke uitspraak nog geen beslissing op bezwaar was genomen en dat het feit dat het bezwaar later kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard, niet betekent dat de dwangsom niet terecht is vastgesteld.

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt daarmee de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter S.C.A. van Kuijeren en griffier J. Fagel op 2 februari 2022.

Uitkomst: Het verzet tegen de dwangsom wegens niet tijdig beslissing op bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1776-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2022 op het verzet van

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, te Dronten, opposant,
en

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. C. van der Ent),
geopposeerde.

Procesverloop

Bij uitspraak van 16 september 2021 heeft deze rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep van [eiseres] , gericht tegen het besluit van 6 mei 2020 van opposant, gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank tevens de dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, van de Awb vastgesteld. De rechtbank is hiertoe overgegaan, omdat opposant niet voldaan heeft aan de verplichting binnen de termijn een beslissing op bezwaar van [eiseres] te nemen.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb – voorzover hier van belang – kan een belanghebbende tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Awb verzet doen bij de rechtbank. Indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan op grond van artikel 8:55, achtste lid, van de Awb in stand.
2. De rechtbank constateert dat opposant eerst op 11 oktober 2021, dus ná de uitspraak van 16 september 2021 een beslissing op het bezwaar heeft genomen waarbij het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard.
3. Opposant stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb, geen dwangsom verschuldigd is nu het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is geacht.
4. De rechtbank volgt de redenering van opposant niet. Ten tijde van de uitspraak was er (nog) geen beslissing op bezwaar. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank terecht de dwangsom vastgesteld. Dat opposant – naderhand – het bezwaar kennelijk ongegrond verklaart, maakt niet dat (alsnog) geen dwangsom verschuldigd zou zijn.
5. In hetgeen opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 16 september 2021 is gedaan.
6. Het verzet is ongegrond.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
J. Fagel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 2 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de rechter is verhinderd
om deze uitspraak te
ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.