ECLI:NL:RBMNE:2022:335

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 januari 2022
Publicatiedatum
2 februari 2022
Zaaknummer
UTR 20/1252-V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:54 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing proceskostenvergoeding wegens te late indiening niet-ontvankelijk verklaard

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van opposante tegen de afwijzing van haar verzoek om proceskostenvergoeding door de rechtbank op 18 januari 2021. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat opposante zelf had besloten de beroepsprocedure niet voort te zetten, waardoor geen tegemoetkoming op grond van artikel 8:75a Awb mogelijk was.

Opposante diende het verzetschrift echter te laat in, namelijk op 21 juli 2021, terwijl de termijn uiterlijk op 1 maart 2021 eindigde. De rechtbank heeft haar meerdere malen verzocht om een geldige reden voor de te late indiening, maar opposante reageerde niet. Hierdoor verklaarde de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk.

De uitspraak bevestigt dat de oorspronkelijke beslissing van 18 januari 2021 in stand blijft en dat er geen proceskostenvergoeding wordt toegekend. De procedure werd schriftelijk afgedaan zonder zitting, conform artikel 8:54 Awb Pro, omdat de uitkomst duidelijk was.

Uitkomst: Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het verzetschrift, waardoor de eerdere afwijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1252 - V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2022 op het verzet van

[opposante] , te [woonplaats] , opposante,

(gemachtigde: mr. R. Hulkenberg).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek voor een proceskostenvergoeding dat opposante heeft ingediend bij de rechtbank op 5 juni 2020.
In de uitspraak van 18 januari 2021 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.
Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 18 januari 2021 het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen, omdat verzoekster zelf heeft besloten de beroepsprocedure niet te willen voorzetten. Van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dan ook geen sprake. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb.
2. Omdat het verzet van opposante is gericht tegen een uitspraak van 18 januari 2021, verzonden op 27 januari 2021, is de termijn van zes weken voor het indienen van een verzetschrift op grond van de artikel 6:7, 6:8, eerste lid, in samenhang met artikel 8:55, eerste lid en tweede lid, van de Awb gestart op 18 januari 2021 en geëindigd op 1 maart 2021. Uiterlijk op die dag moet het verzetschrift bij de rechtbank zijn binnengekomen of indien het via de reguliere postbezorging is verzonden uiterlijk op die dag ter post zijn bezorgd en niet later dan een week daarna bij de rechtbank zijn binnengekomen.
3. Opposante heeft het verzetschrift met dagtekening 21 juli 2021 per mail aan de rechtbank toegestuurd. Dat is te laat.
4. Bij aangetekende brief van 26 augustus 2021 heeft de rechtbank opposante gevraagd om binnen twee weken na verzending van die brief schriftelijk uitleg te geven waarom het verzetschrift te laat is ingediend. In die brief is opposante er tevens op gewezen dat als er geen geldige reden is voor de te late indiening de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk kan verklaren. De brief is onbestelbaar retour gekomen bij de rechtbank. De rechtbank heeft de brief op 15 september 2021 per gewone post nog een keer aan opposante gestuurd.
5. Opposante heeft niet gereageerd op deze brief.
6. De conclusie is dat het verzet van opposante niet-ontvankelijk is, omdat zij het verzetschrift te laat bij de rechtbank heeft ingediend. Dit betekent dat de uitspraak van de rechtbank van 18 januari 2021 in stand blijft.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van
J. Fagel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 24 januari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de verzenddatum ervan beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. De datum van verzending ziet u op de stempel die hierboven staat.