ECLI:NL:RBMNE:2022:3337
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van woning te Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een woning in Utrecht centraal. Verweerder, de gemeente, heeft de waarde per 1 januari 2020 vastgesteld op €859.000, welke eiser betwist en een lagere waarde van €765.000 vordert. Na bezwaar is het bezwaar ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of verweerder aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Verweerder overlegde een taxatiematrix met drie referentiewoningen in dezelfde buurt, vergelijkbaar qua bouwjaar en uitstraling, en toegelicht dat verschillen in inhoud en staat van onderhoud in de waardering waren verwerkt. Eiser voerde onder meer aan dat de inhoudsmaten onjuist waren en dat een referentiewoning in betere staat was, maar de rechtbank volgde verweerder in zijn uitleg en vond de onderbouwing voldoende.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aan zijn bewijslast had voldaan en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. De beroepsgronden faalden en het beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door rechter S.G.M. van Veen en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2022. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €859.000 wordt ongegrond verklaard.