De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 17 juni 2022 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die was veroordeeld voor handel in cocaïne en heroïne van 6 december 2021 tot en met 21 maart 2022.
De officier van justitie vorderde een bedrag van €8.268,-, gebaseerd op een rapport waarin het aantal transacties werd berekend aan de hand van unieke contacten op de dealertelefoon. De verdediging stelde dat de berekening te hoog was en dat veroordeelde slechts op maandagen handelde, wat de rechtbank niet aannemelijk achtte.
De rechtbank bevestigde de periode van 105 dealdagen, een gemiddelde van 4,5 transacties per dag en een gemiddelde opbrengst van €35,- per transactie. De bruto opbrengst werd vastgesteld op €16.537,-, waarvan de inkoopkosten op 50% werden gesteld, resulterend in een wederrechtelijk verkregen voordeel van €8.268,-.
De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 330 dagen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.