ECLI:NL:RBMNE:2022:3087

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juli 2022
Publicatiedatum
29 juli 2022
Zaaknummer
UTR 22/2271
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6, eerste lid WobArt. 6, tweede lid Wob
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op Wob-verzoek door Minister van Financiën

Eiser heeft op 9 maart 2022 een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder, de Minister van Financiën, heeft niet binnen de wettelijke termijn van vier weken beslist, ondanks een eenmalige verlenging van vier weken. De beslistermijn was uiterlijk 4 mei 2022, maar verweerder nam geen besluit.

Eiser stelde verweerder op 5 mei 2022 in gebreke en wachtte twee weken, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat de overschrijding van de beslistermijn ook onder de nieuwe Wet open overheid (Woo) niet is gerechtvaardigd. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond.

De rechtbank draagt de Minister op binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij verdere overschrijding, met een maximum van €15.000. Daarnaast moet de Minister het betaalde griffierecht van €184 aan eiser vergoeden. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de Minister van Financiën op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/2271

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de Minister van Financiën, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van 9 maart 2022.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaken niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3. Eiser heeft zijn verzoek ingediend op 9 maart 2022. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag. [1] Op 28 maart 2022 heeft verweerder de beslistermijn verdaagd met vier weken. [2] Verweerder had dus uiterlijk op 4 mei 2022 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is daarom voorbij. Dat op 1 mei 2022 de Wob is vervangen door de Wet open overheid (Woo) maakt het voorgaande niet anders. Ook op grond van de Woo heeft verweerder de beslistermijn overschreden.
4. Eiser heeft verweerder op 5 mei 2022 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
5. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen reden om verweerder een langere termijn te geven.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
7. Het beroep is kennelijk gegrond.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 6, eerste lid, van de Wob.
2.Artikel 6, tweede lid, van de Wob.