ECLI:NL:RBMNE:2022:3018
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning aan een adres in plaats voor belastingjaar 2021
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een woning aan een adres in een plaats centraal. De gemeente heeft de waarde voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op €228.000,- met als waardepeildatum 1 januari 2020. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €174.000,- voor.
De rechtbank beoordeelt of de gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet hoger is dan de waarde in het economisch verkeer. De gemeente heeft een taxatiematrix overgelegd waarin de woning wordt vergeleken met drie referentiewoningen in dezelfde straat, die qua bouwjaar en uitstraling vergelijkbaar zijn en kort voor de waardepeildatum zijn verkocht. De rechtbank oordeelt dat deze referentiewoningen geschikt zijn en dat de waardeverhouding inzichtelijk is gemaakt.
Eiser voert meerdere beroepsgronden aan, waaronder onduidelijkheid over het indexeringspercentage, het recht van overpad, ligging aan een provinciale weg, gedateerde voorzieningen, slecht onderhoud en aanwezigheid van asbest. De rechtbank wijst deze gronden af omdat ze onvoldoende onderbouwd zijn of reeds door de gemeente zijn meegenomen in de waardering. De rechtbank volgt de gemeente in haar waardering en concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.