Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
Hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van getuige [slachtoffer 2] , [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon.
Hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van getuige [slachtoffer 2] en twee willekeurige onbekende personen.
meer dan 1 miljard keer waarschijnlijkerwanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
Hypothese 3: De bemonstering bevat DNA van getuige [slachtoffer 2] , getuige [slachtoffer 1] , [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon.
Hypothese 4: De bemonstering bevat DNA van getuige [slachtoffer 2] , getuige [slachtoffer 1] en twee willekeurige onbekende personen.
meer dan 1 miljard keer waarschijnlijkerwanneer hypothese 3 waar is, dan wanneer hypothese 4 waar is. [17]
Hypothese 5: De bemonstering bevat DNA van getuige [slachtoffer 1] en [verdachte] .
Hypothese 6: De bemonstering bevat DNA van getuige [slachtoffer 1] en één willekeurige onbekende persoon.
meer dan 1 miljard keer waarschijnlijkerwanneer hypothese 5 waar is, dan wanneer hypothese 6 waar is.
Hypothese 7: De bemonstering bevat DNA van getuige [slachtoffer 2] , [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon.
Hypothese 8: De bemonstering bevat DNA van getuige [slachtoffer 2] en twee willekeurige onbekende personen.
850 miljoen keer waarschijnlijkerwanneer hypothese 7 waar is, dan wanneer hypothese 8 waar is. [18]
ongeveer 900 duizendkeer waarschijnlijker wanneer de bemonstering een relatief grote hoeveelheid DNA bevat van [slachtoffer 2] en een relatief kleine hoeveelheid DNA bevat van [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering een relatief grote hoeveelheid DNA bevat van [slachtoffer 2] en een relatief kleine hoeveelheid DNA bevat van drie willekeurige onbekende personen.
ongeveer 30 miljoenkeer waarschijnlijker wanneer de bemonstering een relatief grote hoeveelheid DNA bevat van [slachtoffer 2] en een relatief kleine hoeveelheid DNA bevat van [verdachte] , [slachtoffer 1] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering een relatief grote hoeveelheid DNA bevat van [slachtoffer 2] en een relatief kleine hoeveelheid DNA bevat van [slachtoffer 1] en twee willekeurige onbekende personen. [20]
Hypothese 1a:Verdachte [verdachte] en twee onbekende personen hebben de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gebonden met tape.
Hypothese 2a:Drie onbekende personen hebben de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gebonden met tape. Verdachte [verdachte] heeft hiermee niets te maken.
- De kans om DNA van een onbekende aan te treffen in deze bemonstering is iets kleiner als hypothese 1a (ongeveer 60%) waar is dan als hypothese 2a waar is (ongeveer 65%).
In de bemonstering is DNA aangetroffen van verdachte en een onbekende persoon. Deze bevindingen acht ik ongeveer 15 keer waarschijnlijker als hypothese 1a waar is dan als hypothese 2a waar is.
- De kans om DNA van verdachte aan te treffen in deze bemonsteringen is veel groter als hypothese 1a waar is (ongeveer 10%) dan als hypothese 2a waar is (ongeveer 0,5%).
- De kans om DNA van een onbekende aan te treffen in deze bemonstering is iets kleiner als hypothese 1a (ongeveer 60%) waar is dan als hypothese 2a waar is (ongeveer 65%).
In deze bemonsteringen is DNA aangetroffen van verdachte en geen eenduidige aanwezigheid van DNA van een onbekende. Deze bevindingen acht ik ongeveer 30 keer waarschijnlijker als hypothese 1a waar is dan als hypothese 2a waar is.
- De kans om DNA van een onbekende aan te treffen in deze bemonstering is iets kleiner als hypothese 1a (ongeveer 4%) waar is dan als hypothese 2a waar is (ongeveer 6%).
In deze bemonstering is DNA aangetroffen van verdachte en geen eenduidige aanwezigheid van DNA van een onbekende. Deze bevindingen acht ik ongeveer 20 keer waarschijnlijker als hypothese 1a waar is dan als hypothese 2a waar is. [23]
De bevindingen van het onderzoek aan de rollen en stukken tape acht ik, gegeven de hypothesen, de in paragraaf 4 vermelde aannamen en de overige relevante contextinformatie, ongeveer 300 keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1a waar is, dan wanneer hypothese 2a waar is.
Dit betekent dat de onderzoeksresultaten
veel waarschijnlijkerzijn als verdachte en twee onbekenden de slachtoffers hebben vastgebonden met tape dan wanneer drie onbekenden dit deden. [24]
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
10.BESLISSING
gevangenisstrafvan
4 jaren;