Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[eiser sub 1] ,
[eiseres sub 2],
1.[gedaagde sub 1]
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
2.De zaak in het kort
3.De feiten
4.De vordering en het verweer
5.De beoordeling
Toetsingskader kortgedingprocedure
1.016,00
Rechtbank Midden-Nederland
In deze kortgedingprocedure vordert eiseres dat gedaagde wordt verboden haar woning uit te bouwen vanwege vermeende onrechtmatige hinder door afname van zonlicht, uitzicht en waardevermindering. Eiseres baseert haar vordering op rapporten die een afname van zonuren en uitzicht beweren, en stelt dat de uitbouw de waarde van haar woning met € 100.000 zal verminderen.
Gedaagde betwist de omvang van de hinder, wijst op een lager percentage afname zonuren en benadrukt dat er geen sprake is van een kokereffect of waardevermindering. De voorzieningenrechter toetst of de hinder onaanvaardbaar en onrechtmatig is, rekening houdend met de aard, ernst en duur van de hinder, en de belangen van partijen.
De rechter concludeert dat de gemiddelde afname van zonuren over het jaar niet onaanvaardbaar is, het uitzicht slechts beperkt wordt zonder kokereffect, en de waardevermindering onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De vordering wordt daarom afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De vordering tot het verbod op de uitbouw wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van onrechtmatige hinder.