ECLI:NL:RBMNE:2022:2605

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
5 juli 2022
Zaaknummer
22/1656
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking verzoek voorlopige voorziening rijbewijsongeldigheid

Verzoekster kreeg op 7 maart 2022 te horen dat haar rijbewijs per 14 maart 2022 ongeldig werd verklaard wegens ongeschiktheid om te rijden. Hiertegen maakte zij bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Nadat verweerder het bezwaar gegrond verklaarde en het primaire besluit herrolde, trok verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening in.

Naar aanleiding hiervan verzocht verzoekster om proceskostenvergoeding. Verweerder reageerde niet op dit verzoek. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder tegemoet was gekomen aan het verzoek en wees het verzoek om proceskostenveroordeling toe.

De proceskosten werden vastgesteld op € 1.300,- op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij punten werden toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift en het verzoekschrift. Tevens wees de voorzieningenrechter erop dat het betaalde griffierecht van € 184,- door verweerder kan worden vergoed.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot betaling van € 1.300,- aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1656

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 mei 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J.J. van 't Hoff),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 7 maart 2022 (primair besluit) heeft verweerder het rijbewijs van verzoekster per 14 maart 2022 ongeldig verklaard omdat uit onderzoek is gebleken dat zij niet geschikt is om te rijden.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 25 april 2022 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.300,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 541,- en 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
5. De voorzieningenrechter wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:82, zesde lid, van de Awb het door verzoekster betaalde griffierecht van € 184,- kan vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.300,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.