ECLI:NL:RBMNE:2022:244
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aflossingscapaciteit bij terugvordering Tozo-uitkering
Eiser en zijn echtgenote ontvingen een bijstandsuitkering die zij per 1 juni 2019 wilden beëindigen. Verweerder trok de uitkering terug over een eerdere periode en vorderde een bedrag van €2.794,26 terug wegens schending van de inlichtingenplicht, een bedrag dat in rechte vaststaat. Tijdens de besluitvorming ontvingen zij een Tozo-uitkering. Verweerder stelde een maandelijkse aflossingscapaciteit vast van €90,77 op basis van deze uitkering.
Eiser betwistte dit bedrag en gaf aan onvoldoende middelen te hebben vanwege andere schulden en zorgverplichtingen. De rechtbank oordeelde dat zij alleen kon toetsen of het maandelijkse in te houden bedrag juist was vastgesteld, niet het bestaan van de schuld zelf. Daarbij werd rekening gehouden met de beslagvrije voet zoals verhoogd per 1 januari 2021.
De rechtbank constateerde dat verweerder de beslagvrije voet correct had toegepast en dat eiser zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van de aflossingscapaciteit van €90,77 per maand op de Tozo-uitkering wordt ongegrond verklaard.