ECLI:NL:RBMNE:2022:2330
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
WOZ-waarde woning vastgesteld op €277.500 na gegrond beroep
In deze bestuursrechtelijke zaak is de WOZ-waarde van een appartement met parkeerplaats en berging aan de orde. De gemeente stelde de waarde voor het belastingjaar 2021 vast op €301.000, waartegen eiser bezwaar maakte en in beroep ging. De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de waarde door de gemeente, die drie referentiewoningen gebruikte.
De rechtbank oordeelde dat twee van de drie referentiewoningen niet geschikt waren: één woning was mogelijk niet openbaar verkocht en de andere had een inhoud die meer dan twee keer zo groot was, waardoor de vergelijking niet betrouwbaar was. De overgebleven referentiewoning bood onvoldoende basis voor de vastgestelde waarde, omdat de prijs per kubieke meter na correctie lager uitviel dan de vastgestelde WOZ-waarde.
Eiser had een lagere waarde van €254.000 voorgesteld, maar kon deze niet aannemelijk maken. De rechtbank stelde daarom de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €277.500. Omdat het beroep gegrond werd verklaard, werd de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag aangepast en de gemeente veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt schattenderwijs vastgesteld op €277.500 en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd.