Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[eiser sub 1] ,
[eiser sub 2],
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak vordert eiser ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde door de huurder en diens partner, vanwege het zonder toestemming laten samenwonen van de partner in het gehuurde. Tevens vordert eiser betaling van contractuele boetes, huurinkomsten en schadevergoeding.
De kantonrechter stelt vast dat de partner inmiddels is uitgeschreven en het gehuurde heeft verlaten, waardoor een deel van de vorderingen niet langer relevant is. De rechter oordeelt dat, indien er al sprake is van een tekortkoming door het samenwonen zonder toestemming, deze tekortkoming zo gering is dat ontbinding en boetes niet gerechtvaardigd zijn. Dit oordeel wordt mede gebaseerd op de omstandigheden rondom de coronapandemie, waarin de partner tijdelijk werkloos was en noodgedwongen samenwoonde.
Verder wordt het beroep op artikel 8 EVRM Pro (recht op eerbiediging van het gezinsleven) meegenomen, waardoor een verbod op toekomstig samenwonen zonder toestemming niet wordt toegewezen. Ook de gevorderde vergoeding van huurinkomsten en schadevergoeding worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De kantonrechter veroordeelt eiser tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de gedaagden en wijst de vorderingen in hun geheel af.
Uitkomst: De vorderingen tot ontbinding, ontruiming en betaling van boetes en schadevergoeding worden afgewezen; eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.