Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2022 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
de burgemeester van de gemeente Almere (verweerder)
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Volgens verweerder bestaat er vanwege de betrokkenheid van [A] bij de genoemde strafbare feiten en vanwege de omstandigheid dat hij bestuurder, enig aandeelhouder en (indirect) vermogensverschaffer is van eiseres, een ernstig gevaar dat de Alcoholwetvergunning wordt gebruikt voor het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten. Hierbij is volgens verweerder voldaan aan het zogenoemde samenhangcriterium. [5]
Bent u […] in de afgelopen vijf jaar: veroordeeld / een schikking aangegaan met het OM / als verdachte aangemerkt of heeft u een bestuurlijk/fiscale boete gekregen?’ ook werd gedoeld op de strafbeschikking van 2016. Daarom heeft [A] ‘nee’ aangekruist. Eiseres wijst er in dit verband op dat aan [A] tot tweemaal toe wél een VOG [6] is verleend voor het hotel en dat het strafbare feit waarvoor hij een strafbeschikking heeft gekregen van relatief geringe ernst was, zodat hij er niet op bedacht was dat de strafbeschikking ook gemeld moest worden. Dit maakt het volgens eiseres minder aannemelijk dat sprake is van een ernstig vermoeden op het plegen van valsheid in geschrifte, omdat voor een (strafrechtelijke) bewezenverklaring van dat feit ‘doelbewustheid’ (opzet) noodzakelijk is. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat er een ernstig vermoeden is van valsheid in geschrifte, zodat verweerder in beginsel bevoegd was om – na het verrichten van een belangenafweging – de vergunning te weigeren. Dit staat ook zo in het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat verweerder heeft overgenomen. Verweerder heeft er echter ook voor gekozen twee andere weigeringsgronden mede aan de weigering van de vergunning ten grondslag te leggen, en een overkoepelende belangenafweging te maken. De rechtbank zal daarom ook de overige beroepsgronden beoordelen alvorens een eindconclusie te trekken.
Verweerder heeft zijn conclusies gebaseerd op het advies van de bezwaarschriftencommissie, waarin staat dat niet duidelijk was hoe de belangenafweging in het primaire besluit precies was gemaakt. De bezwaarschriftencommissie heeft vervolgens overwogen dat uit wat tijdens de hoorzitting (in bezwaar) aan de orde is geweest, blijkt dat verweerder het aantal delicten, de aard er van en het feit dat sprake is van een kwetsbare branche van belang heeft geacht, en dat ook aan het ernstige vermoeden van betrokkenheid bij valsheid in geschrifte het nodige gewicht is toegekend. Volgens verweerder is de belangenafweging door het overnemen van het advies van de bezwaarschriftencommissie voldoende evenwichtig en goed gemotiveerd. Hij wijst verder op het algemene belang dat is gediend met Wet Bibob en de omstandigheid dat wapen- en drugsgerelateerde delicten ernstig zijn en niet thuishoren in een kwetsbare branche zoals de horeca.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 30 juli 2021;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 360,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.518,- aan proceskosten aan eiseres.
Informatie over hoger beroep
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Artikel 3:4
Artikel 7:12
Artikel 8:69
Artikel 8:72
Alcoholwet
Artikel 8
Artikel 27
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
Artikel 3
Dienstenrichtlijn
Artikel 10 - Vergunningsvoorwaarden
De in lid 1 bedoelde criteria zijn: