ECLI:NL:RBMNE:2022:1848

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 mei 2022
Publicatiedatum
12 mei 2022
Zaaknummer
21/3319
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zakenArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar WOZ-waarde afgewezen

Verweerder heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van twee objecten vastgesteld en aanslagen onroerendezaakbelasting opgelegd. Eiser diende een bezwaarschrift in tegen deze beschikkingen, maar dit werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken.

Eiser stelde dat de verzendadministratie van verweerder onvoldoende was om aan te tonen dat de beschikking tijdig was verzonden en ontvangen. Verweerder stelde echter een gedetailleerde verzendadministratie over, waaruit bleek dat de aanslagen op 27 januari 2021 waren verzonden en uiterlijk 30 of 31 januari 2021 door eiser ontvangen moesten zijn.

De rechtbank oordeelde dat de verzendadministratie voldeed aan de vereisten en dat het bezwaarschrift te laat was ingediend. De verwijzing van eiser naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel was niet relevant omdat daar onvoldoende bewijs van tijdige verzending was overgelegd. Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3319

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2022 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats 1], eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort, verweerder

(gemachtigde: J. Tammel).

Procesverloop

In de beschikking van 30 januari 2021 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van het object aan de [adres 1] in [woonplaats 2] voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op € 500.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2020.
In de beschikking van 30 januari 2021 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde vaan het object aan de [adres 2] in [woonplaats 2] voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op € 550.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2020.
Verweerder heeft bij deze beschikkingen aan eiser als eigenaar van de objecten ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsgrondslag is gehanteerd.
In de uitspraak op bezwaar van 23 juni 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 februari 2022 door middel van een Teams-beeldverbinding. Het onderzoek is geschorst om eiser en verweerder in de gelegenheid te stellen nadere reacties over te leggen.
De rechtbank heeft het beroep op 21 maart 2022 door middel van een Teams-beeldverbinding op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. In geschil is de vraag of verweerder op juiste gronden het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Verweerder heeft aan de uitspraak op bezwaar ten grondslag gelegd dat de beschikking is gedagtekend op 30 januari 2021. De wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is zes weken. Het bezwaarschrift met dagtekening 4 maart 2021 is ontvangen op 6 mei 2021. Hiermee is het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn ingediend.
3. Eiser heeft aangevoerd dat er geen deugdelijke verzendadministratie is bij verweerder en dat niet aannemelijk is gemaakt dat de beschikking is verzonden, dan wel ontvangen, op 30 januari 2021.
4. In zijn verweerschrift heeft verweerder uitvoerig toegelicht hoe de bezorging per post via Data B. Mailservice B.V. en PostNL plaatsvindt. Uit het Excel-bestand in bijlage 1 van het verweerschrift staat dat de aanslag 7252418 is opgenomen onder het verwerkingsnummer 72134. Deze aanslag is volgens bijlage 2 van het verweerschrift verzonden op 27 januari 2021, onder de reguliere verzendwijze van ontvangst binnen 48 tot 72 uur. Hiermee is de aanslag in elk geval op 30 of 31 januari 2021 ontvangen door eiser. De rechtbank is van oordeel dat deze verzendadministratie voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat hiermee voldoende aannemelijk is gemaakt dat de aanslag is verzonden en ontvangen door eiser.
5. Eiser heeft op de zitting gewezen op de uitspraak van de rechtbank Overijssel [1] . Volgens eiser blijkt hieruit dat de verzendadministratie zoals verweerder die nu heeft overgelegd, niet voldoende is. De rechtbank heeft kennisgenomen van deze uitspraak en is van oordeel dat deze verwijzing geen doel treft. In deze uitspraak is de essentie dat er geen stukken, althans onvoldoende stukken, zijn overgelegd om aannemelijk te maken dat de aanslag op tijd is verzonden dan wel is ontvangen door eiser. Van een Excel-bestand of iets anders waaruit volgt dat de betreffende aanslagen door Data B. Mailservice B.V. zijn aangeboden bij en ontvangen door PostNL, was in deze situatie niet gebleken.
6. Verweerder heeft dus terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van I. Zallali, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2022.
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.

Voetnoten

1.Rechtbank Overijssel, ECLI:NL:RBOVE:2022:737