ECLI:NL:RBMNE:2022:1668
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen niet-ontvankelijkverklaring Wob-verzoek wegens te late indiening ongegrond verklaard
Eiser verzocht op 12 december 2019 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) informatie over NDMA-gehaltes in ranitidine. Verweerder besloot op 24 juli 2020 het verzoek gedeeltelijk toe te wijzen, waarbij vanwege belangen van derden bepaalde documenten niet direct openbaar werden gemaakt. Eiser ontving de documenten feitelijk op 2 februari 2021 en diende op 8 maart 2021 een bezwaarschrift in tegen het weglakken van NDMA-gegevens.
Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn van zes weken na het besluit van 24 juli 2020. Eiser voerde aan dat de termijn pas begon bij feitelijke verstrekking van documenten en dat verweerder zelf termijnen had overschreden. De rechtbank oordeelde dat de termijn aanvangt bij het besluit en dat de feitelijke verstrekking hier los van staat. De termijn was derhalve overschreden zonder verschoonbare reden.
De rechtbank vond dat verweerder terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde en dat het bezwaar geen inhoudelijke behandeling behoeft. Ook het verweer dat verweerder ten onrechte van horen had afgezien, faalde omdat het bezwaar op voorhand kansloos was. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift is ongegrond verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare reden.