ECLI:NL:RBMNE:2022:1382
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde appartement in Utrecht
De zaak betreft een beroep van de eigenaar van een appartement in Utrecht tegen de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van €1.435.000,- voor het belastingjaar 2020, met waardepeildatum 1 januari 2019. De eigenaar stelde dat de waarde te hoog was en bepleitte een maximale waarde van 10% boven de vorige WOZ-waarde van €617.000,- per 1 januari 2018.
De rechtbank overwoog dat de WOZ-waarde de marktwaarde in het economisch verkeer betreft, bepaald op basis van verkoopprijzen van referentiewoningen rond de waardepeildatum. De vergelijking met eerdere WOZ-waarden is niet maatgevend. De rechtbank nam kennis van de taxatiematrix van de gemeente en concludeerde dat de gemeente de waarde voldoende had onderbouwd, onder meer door vergelijking met vergelijkbare appartementen die recent waren verkocht.
De ingebrachte beroepsgronden, waaronder het ontbreken van een verslag van de hoorzitting, onvoldoende rekening met VVE-reserves, en een te hoge kubieke meterprijs, werden verworpen. De rechtbank oordeelde dat de gemeente de waarde correct had vastgesteld en dat het beroep ongegrond was. Vergoeding van immateriële schade en proceskosten werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 5 april 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.435.000,- wordt ongegrond verklaard.