ECLI:NL:RBMNE:2022:1222

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 maart 2022
Publicatiedatum
1 april 2022
Zaaknummer
536623 / HA RK 22-73
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 lid 1 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening na eindvonnis

Verzoekster diende op 14 maart 2022 een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter die de hoofdzaak behandelde, omdat de kantonrechter niet had beslist op een aanvullend verzoek tot aanvulling van het eindvonnis. De wrakingskamer besloot het verzoek buiten zitting af te doen.

De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek te laat was ingediend. De kantonrechter had op 2 maart 2022 beslist op een herstelverzoek, waarbij verzoekster bekend werd dat het aanvullende verzoek van 2 februari 2022 niet was behandeld. Verzoekster wachtte bijna twee weken met het indienen van het wrakingsverzoek zonder verklaring.

Omdat het de derde wrakingsverzoek betrof in dezelfde zaak en verzoekster bekend was met de wettelijke vereisten, werd zij niet ontvankelijk verklaard. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was op het moment van schorsing door het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard in haar wrakingsverzoek wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 536623 / HA RK 22-73
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
31 maart 2022
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
(verder te noemen: verzoekster).

1.De procedure

1.1.
Verzoekster heeft op 14 maart 2022 een verzoek ingediend tot wraking van
mr. V. van Dam als behandelend kantonrechter (hierna: de kantonrechter) in de zaak met zaaknummer 8992856/MC EXPL 21-626 (hierna: de hoofdzaak), omdat de kantonrechter in haar beslissing van 2 maart 2022 niet heeft beslist op het door verzoekster op 2 februari 2022 ingediende verzoek tot aanvulling van het op 3 november 2021 gewezen eindvonnis.
1.2.
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.

2.Verzoekster is niet ontvankelijk in haar wrakingsverzoek

2.1.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
2.2.
Het middel van wraking is toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat een rechter, bij wie uit zijn gedrag of overtuiging vooringenomenheid blijkt tegenover een partij – althans aan een partij die daarover de objectief gerechtvaardigde vrees heeft – (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Na een einduitspraak kan in beginsel daarom geen verzoek tot wraking meer worden ingediend.
2.3.
De wrakingskamer overweegt dat in de hoofdzaak op 3 november 2021 eindvonnis is gewezen. Het door verzoekster ingediende verzoek om herstel van het eindvonnis is op 2 maart 2022 door de kantonrechter afgewezen. Hierbij is de kantonrechter echter (nog) niet ingegaan op het aanvullende verzoek van 2 februari 2022. Op dat laatste verzoek moet dus nog worden beslist door de kantonrechter. Dat betekent dat verzoekster nog een belang kan hebben bij wraking van de kantonrechter.
2.4.
Op grond van artikel 37 lid 1 Rv Pro moet het verzoek worden gedaan zodra die feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. De kantonrechter heeft op 2 maart 2022 beslist op het verzoek tot herstel. Op dat moment is verzoekster er mee bekend geworden dat de kantonrechter daarin niet op haar verzoek van 2 februari 2022 tot aanvulling van het vonnis is ingegaan. Verzoekster heeft desondanks gewacht tot 14 maart 2022 met het indienen van haar wrakingsverzoek. Voor dit tijdsverloop van bijna twee weken heeft zij geen verklaring gegeven. Aangezien verzoekster het afgelopen jaar in deze zaak al meerdere wrakingsverzoeken heeft ingediend, mag van verzoekster worden verwacht dat zij op de hoogte is van de wettelijke vereisten van een wrakingsverzoek. De wrakingskamer is gelet daarop van oordeel dat verzoekster het wrakingsverzoek te laat heeft ingediend en om deze reden niet ontvankelijk is in haar wrakingsverzoek.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
3.1.
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek;
3.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de betrokken teamvoorzitter van de afdeling civiel en de president van deze rechtbank;
3.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer 8992856/MC EXPL 21-626 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. A.M. Crouwel en
mr. E.W.A. Vonk als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2022.
de griffier is buiten staat deze beslissing te ondertekenen
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.