Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:1075

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2022
Publicatiedatum
23 maart 2022
Zaaknummer
C/16/525272 / FO RK 21-763
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging ouderlijk gezag moeder en toewijzing voogdij pleegmoeder

De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van de Raad om het ouderlijk gezag van de moeder over twee minderjarige kinderen te beëindigen en de pleegmoeder met voogdij te belasten. De moeder handhaafde haar standpunt dat zij het eenhoofdige gezag moet behouden en benadrukte de goede verstandhouding met de pleegmoeder, die samen weloverwogen beslissingen nemen over de kinderen.

De rechtbank overwoog dat het gezag van een ouder alleen kan worden beëindigd indien de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en de ouders dit niet binnen een aanvaardbare termijn kunnen veranderen. Dit was niet het geval; de kinderen wonen sinds 2016 op vrijwillige basis bij de pleegmoeder en het gaat goed met hen. Ondanks een periode van detentie van de moeder in 2019, vervult zij sinds eind 2020 weer een stabiele rol en zijn er goede afspraken over omgang en zorg.

De rechtbank concludeerde dat er geen redenen zijn om het gezag van de moeder te beëindigen. De kinderen hebben een stabiele situatie, de moeder en pleegmoeder overleggen goed en stellen het belang van de kinderen voorop. De rechtbank merkte op dat de wensen van de kinderen verschillen, maar vertrouwt erop dat moeder en pleegmoeder dit samen kunnen oplossen. Het verzoek van de Raad werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder wordt afgewezen; de moeder behoudt het eenhoofdige gezag.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/525272 / FO RK 21-763 (beëindiging van het ouderlijk gezag)
Beschikking van 21 januari 2022
in de zaak van:
[verzoekster] ,regio Midden-Nederland, hierna: de Raad
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1], hierna: [minderjarige 1 (voornaam)] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2], hierna: [minderjarige 2 (voornaam)] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[belanghebbende 1] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna: de moeder,
advocaat mr. M.J.N. Koek,
[belanghebbende 2] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna: de pleegmoeder.

1.De procedure

1.1.
Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de beschikking van 29 november 2021. In die beschikking heeft de rechtbank de beslissing op het verzoek van de Raad om het gezag van de moeder te beëindigen aangehouden in afwachting van de berichtgeving van de moeder en de Raad.
1.2.
In het F9-formulier van 13 december 2021 heeft de moeder de rechtbank bericht dat zij haar standpunt handhaaft.
1.3.
De rechtbank heeft de Raad de gelegenheid gegeven om uiterlijk 20 december 2021 te reageren op het bericht van de moeder indien zij nog nader wensen te reageren. De Raad heeft per brief van 5 januari 2022 gereageerd op het bericht van de moeder.

2.Waar gaat het over?

2.1.
Voor de relevante feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 29 november 2021.
2.2.
Voor de volledigheid vermeldt de rechtbank de gegevens van de minderjarige kinderen van de moeder:
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] ;
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] .
2.3.
In de beschikking van 29 november 2021 heeft de rechtbank het gezag van de vader beëindigd. Dat betekent dat de moeder op dit moment belast is met het eenhoofdige gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] .
2.4.
De rechtbank moet nog beslissen op het verzoek van de Raad om het gezag van de moeder te beëindigen en de pleegmoeder te belasten met de voogdij over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] .
2.5.
De moeder handhaaft haar standpunt en stelt zich primair op het standpunt dat zij belast moet blijven met het eenhoofdige gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . De verstandhouding tussen de moeder en de pleegmoeder is erg goed. Het verzoek van de Raad is te ingrijpend. In de praktijk nemen de moeder en de pleegmoeder samen weloverwogen beslissingen over de kinderen.
2.6.
De Raad vindt het belangrijk dat de kinderen duidelijkheid hebben over het feit dat zij bij de pleegmoeder kunnen blijven wonen. Zij wonen hier al lang en de pleegmoeder kan hen de stabiliteit geven die zij nodig hebben. Sinds de moeder terug is uit Frankrijk gaat het beter en heeft de moeder meer stabiliteit gevonden. De moeder en de pleegmoeder kunnen onderling goed overleggen en het regelen van zaken moet geen belemmering zijn, zeker nu de moeder is belast met het eenhoofdige gezag. De Raad vindt dat de moeder en de pleegmoeder nogmaals de kans moeten krijgen, nu het gezag van de vader is beëindigd. Het is wel belangrijk dat de kinderen bij de pleegmoeder blijven wonen en dat er een duidelijke omgang met de moeder komt.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank zal het nog openstaande deel van het verzoek van de Raad afwijzen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
3.2.
Volgens de wet kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen als de kinderen opgroeien op een manier waardoor zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en de ouders niet in staat zijn dit te veranderen op een, voor de kinderen, aanvaardbare termijn. De aanvaardbare termijn is de periode waarbinnen voor de kinderen duidelijk moet zijn waar zij zullen opgroeien. [1]
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft de moeder niet aan de vereisten van de wet is voldaan. [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] worden immers niet ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen.
Vast staat dat [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] sinds 2016 bij de pleegmoeder wonen. Zij verblijven daar op basis van een vrijwillige netwerkplaatsing: de moeder heeft de kinderen bij de pleegmoeder ondergebracht toen zij zelf niet voor hen kon zorgen. Het gaat daar erg goed met [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Sinds zij bij de pleegmoeder wonen, zijn er geen problemen geweest ten aanzien van de gezagsuitoefening, ondanks alle problemen waar de moeder in die periode mee te maken had. De vader heeft al zeer geruime tijd geen feitelijke bemoeienis meer met de kinderen en de moeder.
De Raad is een onderzoek tot gezagsbeëindiging gestart toen het niet lukte om een paspoort te regelen voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] , omdat de toestemming van de vader en de moeder voor het aanvragen van een paspoort ontbrak. Uiteindelijk heeft de moeder haar toestemming gegeven, maar omdat de vader onvindbaar was, is het nog niet gelukt om een paspoort aan te vragen voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Omdat de rechtbank het gezag van de vader inmiddels heeft beëindigd, is zijn toestemming niet meer nodig en is alleen nog de toestemming van de moeder nodig om belangrijke zaken voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] te regelen.
3.4.
Het feit dat de moeder in 2019 een misstap heeft begaan waardoor zij een periode in detentie heeft gezeten, is voor de rechtbank geen reden om nu te oordelen dat de moeder geen goede invulling geeft aan haar gezag. Ondanks alle moeilijkheden in haar leven heeft zij er steeds voor gezorgd dat haar kinderen goed verzorgd waren. Sinds eind 2020 speelt de moeder weer een stabiele rol in het leven van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . In onderling overleg maken de moeder en de pleegmoeder afspraken over de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Dat verloopt goed. Zij kunnen goed overleggen en stellen allebei het belang van de kinderen voorop. Samen regelen zij belangrijke zaken voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Zij hebben dit op de zitting aan de rechtbank toegelicht en dit blijkt ook uit het raadsrapport.
3.5.
De rechtbank merkt nog het volgende op. Uit het raadsrapport blijkt dat [minderjarige 1 (voornaam)] nog steeds de wens heeft om bij de moeder te wonen en dat [minderjarige 2 (voornaam)] liever bij de pleegmoeder wil blijven wonen. Dit is op de zitting ook besproken. De rechtbank kan zich voorstellen dat uiteindelijk wordt gekozen voor een constructie waarbij [minderjarige 2 (voornaam)] bij de pleegmoeder blijft wonen en waarbij [minderjarige 1 (voornaam)] (meer) bij de moeder zal wonen. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de moeder en de pleegmoeder dit samen goed kunnen oplossen en dat zij hierbij het belang van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] voorop (blijven) stellen. De kinderen verblijven immers al vijf jaar op vrijwillige basis bij de pleegmoeder en tot nu toe zijn er geen problemen geweest tussen de moeder en de pleegmoeder.
Als de huidige gezagssituatie toch, om welke reden dan ook, niet goed werkt, is het aan de pleegmoeder om daar bij de hulpverleningsinstanties een melding van te maken.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder af.
Dit is de uitspraak (beschikking) van (kinder)rechters mr. V.M.M. van Amstel (voorzitter), mr. M.W.V. van Duursen en mr. R.M. Maliepaard, tot stand gekomen in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2022.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:266 lid 1 sub Pro a, van het Burgerlijk Wetboek (BW).