De zaak betreft een geschil tussen een verhuurder en huurder van een bedrijfsruimte, waarbij de huurder vanaf oktober 2020 de huurtermijnen niet heeft voldaan. De verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde, betaling van achterstallige huur, contractuele boete, incassokosten en schadevergoeding.
De huurder erkent de huurachterstand en stemt in met ontbinding en ontruiming, maar betwist overige vorderingen en voert verweer op basis van dwaling en onvoorziene omstandigheden door de coronapandemie. De kantonrechter verwerpt het beroep op dwaling omdat onvoldoende is gesteld dat de verhuurder onjuiste informatie heeft verstrekt en oordeelt dat tegenvallende bezoekersaantallen voor rekening van de huurder komen. Ook het beroep op huurkorting wegens coronamaatregelen wordt afgewezen, aangezien het bedrijf een essentiële winkel betreft die niet gedwongen gesloten was.
De kantonrechter wijst de vorderingen tot betaling van de huurachterstand, contractuele boete en buitengerechtelijke incassokosten toe, maar wijst de gevorderde wettelijke rente af wegens ontbreken van een grondslag. De waarborgsom kan niet op dit moment worden verrekend omdat de oplevering nog niet heeft plaatsgevonden. Voor de schadevergoeding na ontruiming wordt verwezen naar een schadestaatprocedure. De proceskosten worden aan de huurder opgelegd.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.