ECLI:NL:RBMNE:2021:6815

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 november 2021
Publicatiedatum
25 november 2022
Zaaknummer
UTR 21/1736
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zaken
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen WOZ-waarde woning ondanks onderhoudsgebreken

De gemeente heeft de WOZ-waarde van een woning vastgesteld op €866.000 voor het belastingjaar 2020, met een waardepeildatum van 1 januari 2019 en een toestandsdatum van 1 januari 2020. Eiser, eigenaar van de woning, maakte bezwaar tegen deze waarde, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met de slechte staat van onderhoud, waaronder een half dak dat eraf lag, een bouwput in de tuin, onafgewerkt schilderwerk en houtrot.

De rechtbank oordeelt dat de gemeente met een taxatiematrix en een toelichting tijdens de zitting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De taxatiematrix vergelijkt de woning met voldoende vergelijkbare referentiewoningen en houdt rekening met verschillen in onderhoud en voorzieningen, waaronder een correctie van 10% voor doelmatigheid vanwege de nog lopende verbouwing.

De rechtbank volgt de toelichting van de gemeente dat deze correctie ook de gebreken zoals houtrot en de staat van het dak voldoende weerspiegelt. Foto’s van januari 2021 tonen een gesloten dak, en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit op de toestandsdatum anders was. De beroepsgrond faalt, en het beroep wordt ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1736
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2021 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: J.H. Maas),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder

(gemachtigde: B.A. Schras).

Procesverloop

In de beschikking van 29 februari 2020 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op € 866.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019 en de toestandsdatum 1 januari 2020. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
In de uitspraak op bezwaar van 1 april 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift en taxatiematrix ingediend.
Het beroep is op de zitting van 24 november 2021 met behulp van een Skypeverbinding behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich tijdens de zitting laten vertegenwoordigen door [taxateur] , taxateur.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Partijen zijn op de zitting gewezen op de mogelijkheid om tegen deze mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de taxatiematrix, en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven, aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Uit de taxatiematrix blijkt dat de woning is vergeleken met verkoopcijfers die rondom de waardepeildatum zijn gerealiseerd voor woningen die gelet op onder meer de wooninhoud, uitstraling en ligging voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Met de taxatiematrix heeft verweerder de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt. Verweerder maakt aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning, zoals de staat van onderhoud en de voorzieningen. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
2. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de staat van onderhoud van de woning. Eiser noemt onder meer dat op de toestandsdatum 1 januari 2020 het halve dak er nog af lag, de tuin een bouwput was, dat het binnen- en buitenschilderwerk nog was niet afgerond en de zolderverdieping één ruimte zonder afwerking betrof. Ook was sprake van houtrot. De gehanteerde correctie van 10% voor doelmatigheid brengt de gebreken onvoldoende tot uiting.
3. De rechtbank is het niet eens met eiser. Verweerder heeft toegelicht dat de woning sinds 2017 wordt verbouwd en sindsdien aanzienlijk is verbeterd. Wel is er in de taxatiematrix een correctie van 10% gehanteerd voor ‘doelmatigheid’. Deze correctie is gehanteerd omdat de woning op 1 januari 2020 nog werd verbouwd. Met deze correctie wordt ook voldoende rekening gehouden met de aanwezigheid van houtrot, aldus verweerder. De rechtbank kan de toelichting van verweerder volgen en is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat met de correctie van 10% in voldoende mate rekening is gehouden met de staat van de woning en de houtrot. In de taxatiematrix komt de correctie van 10% controleerbaar tot uitdrukking in de gehanteerde opstalwaarde per kubieke meter. De rechtbank stelt vast dat de verbouwing nog gaande was op de toestandsdatum 1 januari 2020. De rechtbank kan echter niet volgen dat de gebreken aan de woning dusdanig waren, dat met de gehanteerde correctie niet kan worden volstaan. Daarbij betrekt zij dat verweerder aan de hand van foto’s van het dak van 15 januari 2021 inzichtelijk heeft gemaakt dat geen sprake was van een open dak. Eiser daarentegen heeft niet inzichtelijk heeft gemaakt dat dit nog anders was op de toestandsdatum 1 januari 2020. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Fix, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2021.
De rechter is verhinderd
dit proces-verbaal te ondertekenen.
griffier
rechter

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.