Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
2.[gedaagde sub 2] ,
3.[gedaagde sub 3] ,
4.[gedaagde sub 4] ,
1.De procedure
2.Waar gaat het over?
3.Wat is het oordeel van de kantonrechter?
747,00
Rechtbank Midden-Nederland
In deze kortgedingprocedure vordert eiseres ontruiming van een woning die zij verhuurt, nadat de moeder van gedaagde sub 2 is overleden. Gedaagde sub 2 stelt dat hij op grond van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder de huurovereenkomst kan voortzetten.
De kantonrechter beoordeelt of er voldoende aannemelijkheid bestaat voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Uit de feiten blijkt dat gedaagde sub 2 sinds 2017 weer op het adres staat ingeschreven, maar geen huurder is. Daarnaast is onduidelijk of hij daadwerkelijk langdurig in de woning verbleef, mede gelet op het aantal ingeschreven personen en de aard van de zorgrelatie met zijn moeder.
De aangevoerde omstandigheden, zoals gezamenlijke kosten en verzorging, worden onvoldoende onderbouwd en wijzen eerder op een zakelijke zorgrelatie dan een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Omwonenden verklaren slechts dat gedaagde sub 2 regelmatig in de buurt werd gezien, wat onvoldoende is.
Daarom oordeelt de kantonrechter dat de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 6 BW Pro is geëindigd en dat gedaagde sub 2 en de overige gedaagden zonder recht of titel in de woning verblijven. De ontruimingsvordering wordt toegewezen en de gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt toegewezen omdat onvoldoende aannemelijk is dat gedaagde een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met zijn moeder.