In deze civiele zaak vordert eiser schadevergoeding wegens een beroepsfout van zijn advocaat, die naliet tijdig hoger beroep in te stellen tegen een vonnis waarin zijn vordering was afgewezen. Eiser stelt dat het hof in hoger beroep zijn vordering zou hebben toegewezen, waardoor hij schade lijdt door het nalaten van hoger beroep.
De rechtbank onderzoekt of het hof in hoger beroep inderdaad anders zou hebben geoordeeld. Uit de feiten blijkt dat eiser in 2001 geld leende voor een vastgoedproject en dat er een kettingbeding was opgenomen over het inschakelen van eiser als makelaar tegen een courtage van 1,5%. In 2005 werd het onroerend goed verkocht aan een projectontwikkelaar tegen een verlaagd courtagepercentage van 1,2%, waar eiser voorafgaand aan de overeenkomst mee heeft ingestemd.
De rechtbank oordeelt dat de doorlegverplichting van de verkoper niet is geschonden en dat het hof in hoger beroep zowel de primaire als subsidiaire vordering van eiser zou hebben afgewezen. Daardoor lijdt eiser geen schade door de beroepsfout van zijn advocaat. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.