Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna: verdachte.
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
1
omstreeks de periode van 20 juni 2020 tot en met 25 oktober 2020 te Vinkeveen en Mijdrecht heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten: verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde lid, Opiumwet;
2
op tijdstippen in de periode van 20 juni 2020 tot en met 25 oktober 2020 te Vinkeveen en Mijdrecht, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende
zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BESLAG
10.VORDERING TENUITVOERLEGGING
11.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en
- 2, 10 en 11b van de Opiumwet;
12.BESLISSING
taakstraf van 240 uren;
120 dagen hechtenis;
gevangenisstraf van drie maanden;
proeftijd van drie (3) jarenvast;
wijst de vordering toe;
taakstraf voor de duur van 40 urensubsidiair 20 dagen hechtenis.