Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2021 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“Voor de kosten van een noodzakelijke eerste babyuitzet wordt eenmalig een forfaitair bedrag van € 530 om niet verstrekt. Indien sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt de bijstand als lening verstrekt”.
Verweerder heeft in het bestreden besluit nog vermeld dat bij de toepassing van dit artikel onder meer de aanvullende voorwaarden gelden:
- de aanstaande moeder is minstens zes maanden zwanger;
- de aanstaande ouder(s) beschikken niet over de eerste noodzakelijke babyuitzet;
- voor de draagkrachtberekening wordt aangesloten bij de regels ten aanzien van de duurzame gebruiksgoederen.
Verweerder heeft ter zitting verklaard dat deze voorwaarden cumulatief zijn. Volgens verweerder voldoet eiser niet voldoet aan de voorwaarden van de eerste twee gedachtestreepjes maar wel aan het derde. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij geen draagkrachtberekening heeft gemaakt.
“U kunt vanaf de 6e maand van uw zwangerschap een vergoeding aanvragen. U krijgt deze vergoeding alleen voor uw eerste kind. Of als u door bijzondere omstandigheden de babyuitzet van uw andere kind(eren) niet meer hebt. De vergoeding is maximaal € 530”. [3] Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de voorwaarden voor verlening van bijstand op grond van artikel 16, vijfde lid, van de BBRU door verweerder voldoende kenbaar zijn gemaakt en voor eiser voldoende toegankelijk waren vóór de indiening van de aanvraag. Uit de tekst en opmaak van deze voorwaarden is ook voldoende op te maken dat deze voorwaarden cumulatief zijn.
“
Het college kan aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van het vorenstaande bijstand verlenen als zeer dringende redenen daartoe noodzaken.”
In het bestreden besluit heeft verweerder naar dit artikel verwezen, en daarbij overwogen dat niet gebleken is dat eiser een gedeelte van een eerder ontvangen bedrag aan bijzondere bijstand voor herinrichtingskosten niet heeft kunnen gebruiken voor een babyuitzet voor zijn derde kind. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat deze overweging ten overvloede in het bestreden besluit is opgenomen.
De rechtbank wijst erop dat eiser in de gronden van het bezwaarschrift van 24 december 2020 en van het aanvullend bezwaarschrift van 17 maart 2021 voldoende heeft aangevoerd op grond waarvan verweerder in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule gemotiveerd had moeten reageren. Verweerder heeft dit nagelaten. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met het motiveringsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt.