ECLI:NL:RBMNE:2021:6117

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 december 2021
Publicatiedatum
17 december 2021
Zaaknummer
UTR - 21 _ 2836
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 3:41 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep wegens niet-ontvankelijkheid bij te laat ingediend bezwaar zorgtoeslag

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Belastingdienst/Toeslagen het primaire besluit over de zorgtoeslag 2012 definitief vastgesteld en verzonden aan de curator op 7 april 2015. Eiser diende het bezwaar pas op 13 april 2021 in, ruim na de wettelijke termijn van zes weken, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard.

Eiser voerde aan dat het besluit niet op juiste wijze aan hem bekend was gemaakt, omdat het niet opnieuw aan hem was verzonden na opheffing van het faillissement. De rechtbank oordeelde echter dat de bekendmaking aan de curator rechtsgeldig was en dat de termijn niet opnieuw kon beginnen. Het feit dat eiser niet door de curator werd geïnformeerd, is voor zijn risico.

De rechtbank zag geen reden om van een verschoonbare termijnoverschrijding uit te gaan en bevestigde daarmee het besluit van verweerder. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder inhoudelijke beoordeling. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens te laat ingediend bezwaar zonder verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2836
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2021 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , Duitsland, eiser

(gemachtigde: mr. K. Wöltgens-Daems),
en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. S. Di Vincenzo en mr. A.N.J. van Dongen).

Procesverloop

In het besluit van 7 april 2015 (primaire besluit) heeft verweerder eisers zorgtoeslag over 2012 definitief berekend en vastgesteld.
In het besluit van 21 juni 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van het verweerschrift heeft eiser een nadere reactie ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen 6 weken nadat het besluit bekend is gemaakt. Dat staat in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of uitreiking ervan. Dat staat in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.
3. De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit op 7 april 2015 is verzonden naar het adres van de curator. Het bezwaarschrift had dus uiterlijk op 19 mei 2015 door verweerder ontvangen moeten zijn. Verweerder heeft het bezwaar op 13 april 2021 ontvangen. Het bezwaarschrift is te laat ingediend.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het primaire besluit op de juiste wijze aan eiser bekend heeft gemaakt. Niet in geschil is dat verweerder het besluit naar het juiste adres van de curator heeft verzonden. Ook staat niet ter discussie of verweerder het besluit naar het adres van de curator heeft mogen verzenden. Het betoog van eiser dat verweerder het primaire besluit niet op de juiste wijze bekend heeft gemaakt, omdat hij het besluit niet opnieuw aan hem heeft verzonden nadat het faillissement was opgeheven, volgt de rechtbank niet. Het besluit was toen immers al op de juiste wijze aan de curator bekend gemaakt, waardoor de bezwaartermijn na opheffing van het faillissement niet opnieuw kon aanvangen. Dat eiser door de curator niet op de hoogte is gebracht van het besluit moet voor zijn risico en rekening blijven. De rechtbank begrijpt dat dit vervelend is voor eiser, maar dat kan niet tot een ander oordeel leiden.
5. In wat eiser verder heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
6. Uit al het voorgaande volgt dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2021 door mr. M.P. Glerum, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.