ECLI:NL:RBMNE:2021:5930

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 december 2021
Publicatiedatum
3 december 2021
Zaaknummer
UTR 21/120
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de TozoArt. 31, eerste lid, van de PwArt. 32, eerste lid, van de Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag Tozo wegens inkomsten boven bijstandsnorm

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo) voor de periode maart, april en mei 2020. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat uit het mutatieoverzicht bleek dat eiser in die maanden bedragen van zijn onderneming naar zijn privérekening ontving die de toepasselijke bijstandsnorm overschreden.

Eiser voerde aan dat deze bedragen geen gerealiseerde omzet waren, maar opgebouwde reserves van de onderneming die hij op zijn privérekening had gezet om in zijn levensonderhoud te voorzien, waardoor er een privéschuld aan de onderneming zou zijn ontstaan. De rechtbank oordeelde dat eiser de bewijslast had om aan te tonen dat hij aan de voorwaarden voor Tozo-bijstand voldeed, maar dat hij hierin niet was geslaagd omdat hij geen bewijsstukken had overgelegd.

De rechtbank stelde vast dat eiser vrijelijk over de bijschrijvingen kon beschikken, deze gebruikte voor vaste lasten en boodschappen, en daarom als inkomsten in de zin van de Participatiewet moesten worden beschouwd. Gezien de hoogte van deze inkomsten voldeed eiser niet aan de voorwaarden voor Tozo-bijstand. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Tozo-bijstandsaanvraag is ongegrond verklaard omdat de inkomsten boven de bijstandsnorm lagen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/120

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Chahid).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo) voor de periode maart, april en mei 2020 afgewezen.
Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 19 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2021 via Skype for Business. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden [1] om in aanmerking te komen voor bijstand op grond van de Tozo. Uit het mutatieoverzicht van de bankrekening van eiser volgt dat in maart, april en mei 2020 gelden zijn overgemaakt vanuit zijn onderneming [onderneming] B.V. naar zijn privérekening. Dit betreft in maart 2020 een bedrag van in totaal € 9.424,71, in april 2020 in totaal € 17.664,95 en in mei 2020 in totaal € 4.393,83. Daarmee liggen de inkomsten van eiser over de periode van maart, april en mei 2020 volgens verweerder ruim boven de voor hem geldende bijstandsnorm voor een alleenstaande en komt eiser niet in aanmerking voor bijstand op grond van de Tozo.
2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de gelden die vanuit de onderneming naar zijn privérekening zijn overgemaakt geen gerealiseerde omzet betreffen. Het zijn opgebouwde reserves voor nog te betalen kosten en belasting voor de onderneming. Eiser heeft deze gelden op zijn privérekening overgemaakt, zodat hij in zijn levensonderhoud kon voorzien. Er bestaat nu een privé schuld aan de onderneming.
3. De rechtbank stelt voorop dat op eiser, als aanvrager, de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van bijstand op grond van de Tozo. De rechtbank oordeelt dat eiser niet is geslaagd in zijn bewijslast. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4. Niet in geschil is dat eiser in maart, april en mei 2020 bijschrijvingen van zijn onderneming op zijn privérekening heeft ontvangen die boven de voor hem geldende bijstandsnorm liggen. Dat deze bijschrijvingen reserveringen van zijn onderneming betreffen en eiser hierdoor een privéschuld aan zijn onderneming heeft, ziet de rechtbank niet. Eiser heeft hiervan geen bewijsstukken ingediend.
Uit het mutatieoverzicht van de privérekening van eiser en de verklaring van eiser ter zitting volgt dat eiser de bijschrijvingen op zijn privérekening heeft gebruikt om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Eiser heeft hiervan zijn boodschappen gedaan en vaste lasten betaald. Eiser kon dus vrijelijk over die bijschrijvingen op zijn privérekening beschikken. De bijschrijvingen zijn naar het oordeel van de rechtbank dan aan te merken als middelen [2] en inkomsten [3] in de zin van de Participatiewet (Pw).
5. Aangezien de Tozo uitgaat van de begrippen uit de Pw, voldoet eiser gelet op de hoogte van zijn inkomsten in de periode maart, april en mei 2020 niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor bijstand op grond van de Tozo. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook terecht afgewezen.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is uitgesproken op 3 december 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De rechter is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Tozo
2.Artikel 31, eerste lid, van de Pw
3.Artikel 32, eerste lid, van de Pw