ECLI:NL:RBMNE:2021:5874
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening urgentieverklaring woonruimte wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster heeft een urgentieverklaring voor woonruimte aangevraagd na beëindiging van haar relatie waarbij zij stelt dat haar ex-partner haar seksueel heeft misbruikt. Haar dochter verblijft bij de vader en verzoekster zelf in een opvanginstelling. Het college heeft de urgentieverklaring geweigerd omdat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden voor urgentie op grond van dakloosheid met minderjarige kinderen.
Verzoekster vordert een voorlopige voorziening om de beslissing op bezwaar niet af te hoeven wachten. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is omdat zowel verzoekster als haar dochter een dak boven het hoofd hebben en er onvoldoende bewijs is dat de situatie onveilig is. Ook de belemmeringen voor omgang met haar dochter zijn onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast is het besluit niet evident onrechtmatig omdat het college het verzoek terecht heeft getoetst aan de geldende urgentiegrond. Er is wel de mogelijkheid om in de bezwaarprocedure aanvullende stukken in te dienen, bijvoorbeeld over een andere urgentiegrond zoals geweld of bedreiging.
De voorzieningenrechter concludeert dat de belangenafweging niet in het voordeel van verzoekster uitvalt en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en omdat het besluit niet evident onrechtmatig is.