Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
€ 5.394,99 bruto).
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser ontving een WW-uitkering en daarnaast inkomsten uit prepensioen en loon van diverse werkgevers. Het UWV stelde vast dat eiser in de periode van februari 2016 tot juli 2018 teveel WW-uitkering ontving en vorderde deze terug. De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat de herziening voor de periode februari 2016 tot juli 2017 onherroepelijk was, maar dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom het voor eiser duidelijk was dat hij in de maanden augustus 2017 tot juli 2018 teveel ontving.
Het UWV diende een aanvullende motivering in, maar de rechtbank vond deze onvoldoende omdat het UWV niet aantoonde dat eiser redelijkerwijs kon weten dat hij teveel ontving in die maanden. Eiser gaf inkomsten op via formulieren en ontving ook gegevens van werkgevers en pensioenfondsen, waarbij hij aannam dat eventuele correcties achteraf werden verrekend. Dit bleek ook het geval in eerdere maanden.
De rechtbank concludeerde dat het voor eiser niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel WW-uitkering ontving in de genoemde maanden en vernietigde het besluit tot terugvordering over deze periode. Het UWV hoeft het bedrag van €5.394,99 niet terug te vorderen. Het bedrag over de eerdere periode van €3.146,47 moet wel worden terugbetaald. Daarnaast veroordeelde de rechtbank het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot terugvordering van WW-uitkering over augustus 2017 tot juli 2018 wegens onvoldoende motivering en bepaalt dat eiser dit bedrag niet hoeft terug te betalen.