ECLI:NL:RBMNE:2021:5856
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van coffeebarobject
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiseres de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van een coffeebarobject aan een adres in Utrecht voor het belastingjaar 2019. Verweerder had de waarde vastgesteld op €351.000, terwijl eiseres een lagere waarde van €269.000 voorstond. De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de tijdens de zitting ingenomen standpunten en concludeerde dat het bezwaar en beroep alleen betrekking hadden op het coffeebarobject en niet op de andere vier onroerende zaken op hetzelfde adres.
Verweerder onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatiematrix gebaseerd op de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij acht verkoopprijzen werden vergeleken. De rechtbank achtte deze onderbouwing voldoende en aannemelijk dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De WOZ-waarde per vierkante meter van het object behoorde tot de laagste in de vergelijking, en de kapitalisatiefactor was lager dan die afgeleid uit de verkoopprijzen.
Eiseres voerde aan dat rekening had moeten worden gehouden met het leegstandsrisico door de coronapandemie, wat een lagere kapitalisatiefactor zou rechtvaardigen. De rechtbank oordeelde echter dat de waardepeildatum 1 januari 2018 was, ruim voor de pandemie, en dat de naderende crisis op 1 januari 2020 geen bijzondere omstandigheid vormde volgens de Wet WOZ. Daarom was geen reden om de waarde aan te passen.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter K. de Meulder en griffier I. Zallali op 1 december 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €351.000 wordt ongegrond verklaard.